Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maakt U het goed, Granny?" vroeg Maud dan en ze trok ook voor zichzelf een crapaudje bij, zoodat ze nu in een kring om het kleine tafeltje zaten, waarop Paps' boek lag, naast het aschbakje, terwijl Maud er een begonnen friemel handwerkje bij deponeerde.

„Ik voel me zoo fit mogelijk," antwoordde mevrouw van Doesselaer dan. „Maar och, hoe prettig het reizen ook soms is, je bent toch ook altijd maar weer blij als je thuis bent! En zooals hier ook ... al dat oude vertrouwde . .."

„Och ja, het is precies of we heelemaal niet zijn weg geweest," sprak Paps, „ons dagelijksche gedoetje, onze gewoontetjes, het is weer „tutmamschos" zooals Wilhelm Busch dat noemt."

„Ja . . . zeker ..." gaf mevrouw van Doesselaer eerst wat aarzelend toe, maar dan plots veel krachtiger: „Ja zeker!" en dan tot Maud. „Kind, wat heb je een schat van een blouse aan!"

„Ja, vindt U het geen beeld, Granny?" antwoordde Maud.

„Buitengewoon en zoo heerlijk luchtig met dit warme weer!" sprak mevrouw van Doesselaer.

„Uw wagen is dus weer heelemaal in orde?" informeerde Paps.

„Ja, gelukkig! Het ontriefde me anders wel. Ik ben dat reizen met de trein zoo ontwend. Maar overigens was die treinreis op zichzelf niet onaardig. Heel toevallig reisde ik met mevrouw Paling en mevrouw Volkers. Dat hebben je zeker al wel gehoord?"

„Ja," antwoordde Paps, „dat hadden we al vernomen. Aardig!"

„En . . ." begon mevrouw van Doesselaer, die eigenlijk wel eens wilde weten of haar twee reisgenooten iets hadden meegedeeld van de ontmoeting met meneer Pardus, maar ze slikte de vraag daarnaar toch maar in en verzon er iets anders voor :. . . „jullie ook tevreden over je terugreis?"

„O, ja, Granny," antwoordde Maud. „We hebben heel

Sluiten