Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

OVERZICHT VAN DE SPELTHEORIEEN.

(Met uitzondering van de psychoanalytische en aanverwante spelopvattingen).

Tot de eersten, die aandacht schonken aan het verschijnsel „spel" bij mensch en dier, behoort de dichterphilosoof Schiller, die een uitvoerige uiteenzetting geeft over het verband tusschen spel en aesthetiek. Hierbij geeft hij als zijn meening te kennen, dat de krachten, die bij mensch en dier bij hun strijd om het bestaan overschieten, ontladen worden in het spel. Dat deze opvatting, die de kerngedachte vormt van de krachtoverschottheorie van Herbert Spencer, lang voor deze reeds door Schiller is tot uiting gebracht, blijkt uit het volgende citaat1): „Zwar hat die Natur auch schon dem Vernunftlosen über die Notdurft gegeben und in das dunkle tierische Leben einen Schimmer von Freiheit ge-

streut. Wenn den Löwen kein Hunger nagt so erschafft

sich die müssige Starcke selbst einen Gegenstand und in

zwecklosem Aufwand geniesst sich die üppige Kraft. Das Tier arbeitet nur, wenn ein Mangel die Triebfeder seiner Tatigkeit ist, und es spielt, wenn der Reichtum der Kraft diese Triebfeder ist, wenn das überflüssige Leben sich selbst zur Tatigkeit stachelt". Worden dus niet alle krachten in den strijd om het bestaan verbruikt, dan uiten zij zich in het spel.

Schiller maakt echter nog andere buitengewoon waarde-

.11. l • i i .11...

voiie opmerKingen over net spei, waaraan in ae literatuur in het geheel geen aandacht is geschonken. In het hierboven geciteerde wijst hij reeds terloops op het gevoel van bevrijding, dat met het spel gepaard gaat en op het genot van energieke

*) F. v o n S c h i 11 e r: Ueber die aesthetische Erziehung des Menschen, in einer Reihe von Briefen. 27e brief. Prozaïsche Schriften.

Sluiten