Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachtsinspanning, ook al brengt deze geen materieel voordeel met zich mee. Elders1) geeft de dichter echter blijk van een veel dieper inzicht in het spel, dan al diegenen, wier speltheorieën in dit hoofdstuk behandeld zullen worden.

Schiller betoogt namelijk verder, dat de meeste spelen berusten op een vrije opeenvolging van spontaan opwellende phantasie-beelden, die aan het spel zulk een groote bekoring verieenen. Zoolang de geest nog geen bepaalde richting aan deze beeldenserie geeft, behooren deze phantasieën tot niets anders dan het „animalische Leben" van den mensch en hebben zij geen andere beteekenis, dan dat de mensch zich van de buitenwereld tot de binnenwereld heeft gewend. Zij vormen den grondslag, noodig voor het ontstaan van spel of kunst. Zoodra de geest haar eigen wetten aan dit phantasiemateriaal gaat opleggen, ontstaat het spel.

Deze opvatting is toch waarlijk de moeite waard genoemd te worden in de spelliteratuur. Schiller is hiermee de eerste, die nadruk legt op de groote beteekenis van de phantasie voor het spel. Zijn ontleding van de wijze, waarop de phantasie hierbij een rol speelt, is meesterlijk. Later zullen wij zien, dat eerst de jongste onderzoekingen over het spel aandacht aan de phantasie besteden en S c h i I I e r 's theorieën voor een groot deel bevestigen.

Ongeveer een eeuw later, namelijk in 1872, komt Spencer bij zijn onderzoekingen over de aesthetische gevoelens, naar hij zegt onafhankelijk van Schiller, eveneens tot de conclusie, dat het spel tot stand komt door een krachtoverschot. Zijn uitgangspunt, namelijk dat de aesthetische gevoelens hun oorsprong vinden in den drang tot spelen, erkent hij aan een Duitschen schrijver, naar later gebleken is S c h i I I e r, te hebben ontleend. Bij den aanhef van zijn hoofdstuk „Aesthetic sentiments", zegt Spencer namelijk2): „Many years ago Y met with a quotation from a German author to the effect that the aesthetic sentiments originate from the play-impulse. Y do not remember the name

-1) F. von Schiller: Ueber die aesthetische Erziehung des Menschen, in einer Reihe von Briefen. 27e brief. Prozaïsche Schriften.

2) H. S p e n c e r : The Principles of Psychology, Dl. II, Hfdst. IX, blz. 627.

Sluiten