Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van b.v. geestelijken arbeid, hoopt zich ongebruikte lichamelijke energie op, die na afloop van het werk b.v. in sport ontladen wordt. Daarbij krijgt de geest echter weer gelegenheid tot ontspanning en krachtsherstel. Zoo dient eenzelfde bezigheid dus eenerzijds tot verbruik van overtollige krachten, anderzijds tot recreatie en daarbij tot herstel van krachten.

Beide theorieën schieten echter volkomen te kort ter verklaring van het spel van den speler bij uitnemendheid, het nog niet schoolgaande kind, dat van het ontwaken tot aan het oogenblik dat het doodmoe naar bed gaat, speelt, waarbij er noch van een krachtoverschot, noch van Erholung sprake kan zijn.

Waarom juist jonge indivuduen spelen en waardoor de spelinhoud bepaald wordt, tracht de Amerikaan Stanley Hall te verklaren door middel van zijn atavisme-theorie. In het spel, zoo meent hij, worden gewoonten en bezigheden herhaald, die bij het lage ontwikkelingspeil onzer primitieve voorouders pasten. Het kind doorloopt al spelend de verschillende ontwikkelingstrappen van zijn voorgeslacht, geheel volgens de zoogenaamde biogenetische grondwet van H a e c k e I. Het overslaan van een of meer phasen brengt in het latere leven van het kind stoornissen te weeg. Om die primitieve neigingen kwijt te raken, moeten ze als het ware afgespeeld worden „gelijk het kikkervischje met zijn staartje moet kwispelen wil hij het verliezen". Hall1) wijst op de verwantschap van vele spelen met bezigheden van primitieve volkeren en hij ziet in zijn theorie een verklaring voor het feit, dat vele kinderspelen over de geheele wereld tot in finesses gelijk zijn.

Tegen deze theorie zijn ook weer enkele bezwaren te maken. Allereerst wordt de juistheid van de biogenetische grondwet tegenwoordig vrij algemeen betwijfeld en daarmee wordt aan H a I I's theorie de grondslag ontnomen. Maar bovendien betreft zijn theorie slechts een klein deel der kinderspelen, zooals bijvoorbeeld jagen met pijl en boog, dat inderdaad tot de bezigheden onzer voorvaderen behoorde en in de literatuur in dit

G. St. Hall: Adolescence, Dl. I, Appleton, New-York, 1919.

Sluiten