Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreugde verschaft. Groos noemt dit laatste de „Lust in der energischen Tatigkeit", waarop Schiller reeds gewezen had en die zeer veel overeenkomst vertoont met de straks te bespreken Funktionslust van Karl B ü h I e r.

Tegen Groos' theorie zijn verschillende argumenten aan te voeren: dat het spel een vooroefening zou zijn, lijkt ons niet juist. Uit de dierpsychologie is het immers bekend, dat de jongen, tezamen met de ouders, ook als zoodanig bedoelde oefeningen houden in jagen, grijpen en dooden van de buit. Dit is geen spel, maar een ernstige voorbereiding voor hun later leven. Daarnaast worden door de jonge dieren die handelingen als spel herhaald. Loopen leeren is geen spel en pas als het kind of het jonge dier goed loopen kan, treden loopspelen op. Primair is dus de oefening en pas daarna komt het spel. Ook aan de indeeling naar de instincten zijn bezwaren verbonden. Allereerst kunnen vele der sub I genoemde spelen in een of meer der groepen sub II ondergebracht worden. Schaken en domino-spelen bijvoorbeeld behooren zeer zeker tot de geestelijke strijdspelen. De verbeeldingsspelletjes (3a) kunnen zeer goed bij de sociale-, familie- en nabootsingsspelen etc. worden ondergebracht. Tot welke groep een bepaald spel behoort, hangt bovendien geheel af van de bedoeling van den speler. Zoo zullen motorische spelen nu eens tot de jachtspelen, dan weer tot de sociale- of sexueele spelen gerekend kunnen worden, al naar de intentie van den speler. Maar afgezien van dit subjectieve moment is de groepeering sub II naar de verschillende instincten vrij willekeurig. Welke instincten de mensch heeft, staat in het geheel niet vast. Door aan het hoofd van elk groepje spelen een bijpassend instinct te plaatsen, verklaart men de drijfveeren van het spel geenszins.

Toch draagt Groos' werk zeer veel bij tot onze kennis van het spel. Alleen al met zijn nauwkeurige beschrijving van de verschillende spelen van mensch en dier heeft hij waardevol werk verricht. En al is de grondgedachte, namelijk dat spel een vooroefening is voor het latere leven, niet geheel juist, het kan niet ontkend worden, dat het jonge iriBlVfdu bij zijn spel ontwikkeling en ervaring opdoet. Maar dit is slechts één van de aspecten van het spel.

Sluiten