Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste vraag, die men zich bij de verklaring van het spelverschijnsel dient voor te leggen, is volgens Karl Bühler1): „Waarom gehoorzaamt het kind van 's ochtends tot 's avonds aan het hem onbekende bevel: speel, om je te oefenen?" Omdat spelen het kind een bepaald gevoel van bevrediging verschaft, dat Bühler de Funktionslust noemt. Deze Funktionslust moet goed onderscheiden worden eenerzijds van het passieve genieten, bijvoorbeeld van een lekkernij (Befriedigungslust), anderzijds van de vreugde, zelf iets te maken (Schaffensfreude). Nij brengt Bühler ons, door te wijzen op den het spel begeleidenden lust, niets nieuws. Schiller en Groos hebben reeds op den lustfactor, voortvloeiende uit het energieke bezig-zijn tijdens het spel, gewezen. Met het begrip Funktionslust wordt niet meer bereikt dan een nauwkeurige bepaling van wat men spel mag noemen en wat niet. Iets „schaffen" is geen spel, passief genieten evenmin. Ter onderscheiding van dit laatste van spel geeft Kohnstamm2) een aardig voorbeeld: het genieten van een sigaar is geen spel, maar zoodra de rooker kringetjes gaat blazen, dus actief wordt, begint het een spelletje te worden. Kohnstamm doet zelf geen poging tot causale verklaring van het spel. Hij geeft er alleen een phaenomenologische beschrijving van. Hij begint met te wijzen op de zeer speciale belevingssfeer, waartoe alle spel behoort. De menschelijke spelsfeer wordt, zoo zegt Kohnstamm, bepaald door een besef van vrijheid, in tegenstelling tot dienstbaarheid. Het spel is uitsluitend gericht op praestaties, die binnen de spelsfeer vallen. Zoodra buiten de spelsfeer resultaten nagestreefd worden (bijvoorbeeld het verkoopen van de gewonnen knikkers), is het geen spel meer. Om in die spelsfeer te komen is het eerstens noodig, dat lustgevoelens verwacht en bereikt worden, alhoewel het geen vereischte is, dat elk spelmoment lustvol is, want pijn of angst, mits niet te sterk, zullen de spelsfeer niet verbreken. Tweede voorwaarde is de activiteit, die op zich zelf ook weer lust verschaft. Door de spelsfeer wordt het ik-bewustzijn van

') K. Bühler: Krise der Psychologie. Fischer, Jena, 1929, blz. 157. 2)Ph. Kohnstamm: Persoonlijkheid in Wording. Tjeenk Willink, Haarlem, 1929.

Sluiten