Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kohnstamm, die, zooals wij reeds vermeldden, slechts bezwaren heeft tegen een al te overvloedig genieten van het spel, wijst met nadruk op de opvoedende kracht, die er van uitgaat en is van oordeel, dat kinderen zoowel als volwassenen recht hebben op spel en op een doelmatige speelgelegenheid.

Belangwekkend is verder het standpunt van Maria Montessori1), die van meening is, dat kinderen slechts uit armoede aan nuttige bezigheid tot spelen komen. In het kind is een onbewuste drang tot zelfontwikkeling. Zijn grootste genot is gelegen in het verrichten van bezigheden, waardoor hij in staat is zich te oefenen en zijn capaciteiten te ontplooien. Om hem hierbij te helpen, voerde zij haar oefenmateriaal in, dat getuigt van diep psychologisch inzicht in de behoeften van het kind. Zoolang een kind gelegenheid heeft met dit materiaal of met anderen nuttigen arbeid bezig te zijn, zal hij volgens Montessori niet talen naar spel. Zij acht spelen, dat met zïcR meebrengt een zich afwenden van de realiteit en een overgave aan de phantasie, dan ook rondweg verderfelijk, zoodat op haar scholen, waar het kind overigens geheel vrij is te doen wat het wil, alleen verbod bestaat voor het hinderen of storen van de andere kinderen, ongemanierdheid en het ver¬

richten van handelingen, die gevaarlijk of nutteloos zijn. Tot de

nuttelooze bezigheden behoort in de eerste plaats het spel,.

Al gaat Montessori in haar depreciatie van het spel ongetwijfeld veel te ver, toch is het zeer zeker juist, dat kinderen, die in staat worden gesteld nuttigen, vreugde verschaffenden arbeid te verrichten, minder behoefte gevoelen zich in het spel van de realiteit af te wenden.

') Maria Montessori: De methode Montessori. Holkema en

Warendorf, Amsterdam, 1926.

Sluiten