Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willekeur gehandeld. Bij den dichter voltrekt zich echter dit geheele proces in diens brein, waarna eventueel protocolleering

volgt; het spelende kind echter „ lehnt seine imaginierte

Objekte und' Verhaltnisse gerne an greifbare und sichtbare Dinge der wirklichen Welt an. Nichts anderes als diese Anlehnung unterscheidet das „Spielen" des Kindes noch vom „Phantasieren". Dat juist deze „Anlehnung" aan de realiteit de phantasie tot spel doet worden blijkt, zoo zegt Freud, ook reeds uit de taal, waarin dichterlijke uitingen, die gepaard gaan met een „Anlehnung an greifbaren Objekten" ook spel genoemd worden: tooneelspel, treurspel, Lustspiel (comedie).

Evenals de schouwburgbezoeker het niet-echt-zijn van de handeling beseft, weet het kind zijn spel steeds van de werkelijkheid te onderscheiden, hetgeen echter allerminst beteekent, dat het kind zijn spel niet als een ernstige bezigheid beschouwt. Integendeel. Freud wijst er dan ook op, dat het tegengestelde van „spel" niet is „ernst", maar „werkelijkheid". Dit is in tegenstelling met de opvatting van H u i z i n g a, die zegt1): „Den grondtrek, dien alle spel, van dier, kind en man, gemeen heeft, die er het eigenlijke wezen van uitmaakt, kunnen wij voorloopig enkel negatief vaststellen, door te zeggen, dat het in beginsel niet-ernst is". Wij kunnen, zooals het onderzoek zal uitwijzen, wat het kind betreft, H u i z i n g a's opvatting niet onderschrijven en sluiten ons geheel aan bij N i e t z s c h e's woorden: „Reife des Mannes-, das heisst den Ernst wiedergefunden haben, den man als Kind hatte, beim Spiel".2)

Het is hier de plaats S c h i I I e r's uitspraken over het verband tusschen spel, phantasie en dichterschap, die in het eerste hoofdstuk behandeld werden, nog eens in de herinnering terug te roepen. Wanneer zijn opvattingen met die van Freud worden vergeleken, blijkt duidelijk hoezeer Schiller reeds een van de essentieele eigenschappen van het spel onderscheiden had.

') J. Huizinga: Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur. Tjeenk Willink, Haarlem, 1933, blz. 5.

2) F. Nietzsche: Jenseits von Gut und Böse. Sprüche und Zwischenspiele nr. 41.

Sluiten