Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bekeek zijn evenbeeld; dan hurkte hij plotseling, waardoor hij zichzelf niet meer zien kon. Hij was dan „o-o-o-o (weg).

Hier zet hij dus weer het onaangename deel van het gebeurde in spel om, maar identificeert zich nu met zijn moeder, een van de werkzaamste middelen om een onaangename beleving te verwerken. In plaats van de passieve en lijdende was hi|

zoo de actieve partij. ,

Vergelijkt men dit spiegelspel met dat van den klos dan is

er onzes inziens toch veel voor te zeggen, dat het kind met de

weggegooide voorwerpen en met den klos niet zijn moeder,

maar eveneens zichzelf bedoelde en dat aan deze spellers

de wensch ten grondslag ligt: „ik wou, dat ik met moeder mee

o-o-o-o (weg) was", dan wel, wraakzuchtig: „nu ga ik weg en , ,

laat jóu ook eens aan je lot over!" Dan zou ook hier, door den

overgang van passief naar actief, getracht worden, de ver- ; /

werking van het psycho-trauma te vergemakkelijken. Men ziet

uit de spelletjes van dit kind, die duidelijk de psychoanalytische

zienswijzen demonstreeren, tevens, dat het zeer moeilijk is om,

zonder meer, tot in finesses met zekerheid uit te maken hoe

een bepaalde spelhandeling moet worden geïnterpreteerd.

Wij gaan nu over tot de bespreking van de verhandeling van

Sigmund Pfeifer1) over het spel.

Pfeifer ziet in de meeste spelen, evenals F r e u d, een verhulde uiting van het onderdrukte driftleven van het kind met hefdoel, lust te vergaren. Pfeifer meent echter, dat door F r e u d twee speltypen over het hoofd zijn gezien. Deze spelsoorten zouden dan ook niet passen in het kader van diens spelopvattingen. Eerstens moeten, volgens Pfeifer, de spe letjes van zeer jonge kinderen niet beschouwd worden als uitingen van het kinderlijk driftleven. Hij meent, dat deze spelen, bijvoorbeeld het spelend grijpen naar een slingerend voorwerp, als volgt ontstaan zijn: de eerste greep van het kind naar en het eerste stootje tegen het voorwerp zijn reflex-achtige bewegingen. Het effect, slingeren en stilstand, brengt bij het kind een zelfoverschatting van zijn eigen kunnen teweeg, geett het kind een almachtsbeleving, met de daarmee gepaard gaande

') Imago, Bd. V, 1917—1919, blz. 243.

Sluiten