Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lustgevoelens. Het kind beschouwt zijn praestatie als een wondergebeuren en daarom worden deze eerste spelen door Pfeifer magische spelen genoemd. Hij geeft echter in zijn verhandeling met aan, waarom deze spelen geen uitingen van het kinderlijk driftleven zouden zijn. Op het magisch karakter van het spel eett r e u d, zooals wij reeds zagen, juist den nadruk gelegd, zoodat het onzes inziens onjuist is de allereerste spelen van het kind als essentieel andere spelen op te vatten.

In het tweede speelstadium heeft, zoo zegt Pfeifer, het ind reeds ervaren, dat bepaalde wenschen, voortvloeiende uit zi|n driftleven, in de realiteit niet vervuld kunnen worden Daar deze wenschen echter nog niet zijn verdrongen, komen deze m het spel nog onverhuld tot uiting. In dit stadium kunnen de wenschen van het kind dan ook zonder moeite uit zijn spel worden afgeleid.

Het is Pfeifer's verdienste deze phase in de ontwikkeling van het kinderspel naar voren te hebben gebracht, een phase, die aan Freud zeer zeker niet ontgaan kan zijn, omdat hij, droom en spel als gelijksoortige uitingsvormen van het driftleven beschouwend, er op gewezen heeft, dat droomen van jonge kinderen nog niet aan censuur onderworpen zijn en vaak onverhuld hun wenschen tot uiting brengen.

Eerst in de derde spelphase, die met het derde levensjaar zou beginnen, komen volgens Pfeifer spelen"voor met verhulden inhoud. Deze opvatting nu is onjuist. Uit ons onderzoek zal blijken, dat spelen met verhulden inhoud reeds zeer vroeg, lang vóór het derde levensjaar, kunnen optreden, terwijl daarnaast onder bepaalde voorwaarden spelen met onverhuiden inhoud nog gedurende langen tijd blijven voorkomen.

In zijn meergenoemd stuk wijst Pfeifer nog terloops op de therapeutische beteekenis van de analyse van het spel, een beteekenis, waarop Freud vooral de aandacht heeft' gevestigd in zijn „Analyse der Phobie eines 5-jahrigen Knaben" Uit dit artikel blijkt tevens, dat kinderspelen even goed duidbaar zijn als droomen.

') S. Freud: Ges. Schr., Bd. VIII, blz. 127.

Sluiten