Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verder uitbreidt en zich zoo meer en meer losmaakt van het veilige, bekende ouderlijke huis. Hierin en niet in de vooroefening, zooals Groos betoogt, ziet Buytendi|k het biologisch nut van het spel: „Het spel", zoo zegt h, „is geen vooroefening, geen afleiding (catharsis) van bestaande driften enz., maar het is een verschijningsvorm van de ervaring zeit èn van het zelfstandig worden van het jeugdige, dat den dynamischen vorm van het spel moet aannemen en zich door de oeraandriften verwerkelijkt". Aldus in het kort de hoofdtrekken

van B u y t e n d ij k's speltheorie.

Zijn denkbeelden vertoonen veel overeenkomst met en zijn voor een groot gedeelte zelfs ontleend aan de ideeen van F re u d, van wien hij voornamelijk op één punt afwijkt, name i| daar, waar hij een primairen, spontanen bewegingsdrang postuleert als gemeenschappelijke oerbron der aandriften. Deze aandriften, namelijk de bevrijdings- en de vereemgingsdrang, dekken zich, hoewel niet geheel, met de door Freud geconcipieerde levens- en doodsdrift. Wanneer B u y t e n d i| k wijst op de aroote beteekenis van de herhalingstendenz voor het spel, zoo is dit geen nieuw geluid, omdat de Wiederholungszwang van Freud juist het principe is, dat het kind in staat stelt zi|n belevingen, voornamelijk die van psychotraumatischen aard, a spelend te assimileeren. En wanneer we verder lezen, da B u y t e n d ij k het wezen van het spel in de phctntasie zoek , zoo zij herinnerd aan wat Freud in „Der Dichter und das Phantasieren" zegt, namelijk, dat het spelen voor het kind de meest karakteristieke vorm van phantaseeren is. Dat het spel verder een representatief of symbolisch karakter heeft, is ook reeds jaren geleden van psychoanalytische zijde betoogd.

Sluiten