Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar aanleiding van bovenstaande uiteenzetting zien wij ons voor drie opgaven gesteld, namelijk:

ten le. de door Melanie Klein voor haar speeltechniek gegeven regels te toetsen, y

ten 2e. te onderzoeken of het jonge kind inderdaad ook tot de vorming van een

z. g. overdrachtsneurose komt — hetgeen door

Anna Freud ten stelligste wordt ontkend — en in het bevestigende geval

ten 3e. na te gaan of en in hoeverre deze speeltechniek, aangewend als behandelingsmethode, psychotherapeutisch succes oplevert. Hierbij gaat het voornamelijk om de beantwoording van drie vragen, namelijk:

a. of het, met het oog op practische bezwaren, voor het slagen der behandeling noodzakelijk is, het kind vrijwel dagelijks in spelanalyse te nemen, zooals Melanie Klein het doet. Er zij nu reeds op gewezen, dat wij vanwege practische moeilijkheden onze patiëntjes ten hoogste eens in de

week en dan vaak met langdurige onderbrekingen konden observeeren.

b. of de spelhandelingen kunnen worden geduid en of dit consequent en onverkort dient te geschieden. Melanie Klein gaat zóóver, dat zij vrijwel elk opzijschuiven, verplaatsen, opeenstapelen, omgooien van spelobjecten, steeds ziet in verband met de conflicten van het kind en hierop veelal diepgaande duidingen

baseert. Het is natuurlijk mogelijk, dat dit bij een volledige, dagelijksche behandeling, onder invloed van de overdrachtssituatie, inderdaad verantwoord is en dat men aldus in staat is om, de opeenvolging der spelhandelingen duidende, tot den latenten spelinhoud door te dringen en deze aan het kind bewust te maken. Toch dringt zich steeds de vraag op, of niet

vele dezer spelhandelingen eenvoudig moeten worden beschouwd als experimenten of imitaties van bij kameraadjes waargenomen spelletjes.

Ook is het zeer twijfelachtig, of kinderen van 2—4 jaar de

Sluiten