Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als zij de plastiline (klei) ontdekt, is zij verrukt hierover, draait er kleine balletjes van, plukt er stukjes af, steekt ze in haar mond en wil het pas weer uitspugen als zij er de onverwerkbaarheid van ondervonden heeft. Zij is eenigen tijd geboeid hiermee bezig. Intusschen informeer ik, naar aanleiding van het spel in het vorige uur, of Rietje 's nachts soms iets van de intimiteiten der ouders gemerkt kan hebben. De moeder ontkent dit vol verontwaardiging: „O, nee, dan slaapt ze altijd!" „Weet U wel zeker, dan zij dan slaapt? Zegt ze nooit

eens iets ". Ik was nog niet uitgesproken of Rietje, van

wie nu pas blijkt, dat zij het gesprek met ingespannen aandacht gevolgd heeft, laat ineens haar klei in den steek, pakt vliegensvlug de roode auto en een ander autotje, laat ze, net als den vorigen keer, met de onderkanten tegen elkaar botsen en roept woedend, met een gezichtje van: öf ik het weet! „(V)e(r)domme, mag nie pappa!" De reactie van de moeder is merkwaardig. Haar verontwaardiging slaat om in een soort van beschaamde verslagenheid: „Het is zoo", zegt zij, „dikwijls roept ze dat, zoodra mijn man toenadering zoekt. Dan is ze woedend". Het was natuurlijk ontactvol, over deze aangelegenheid te beginnen in bijzijn van het kind. Het was echter vrijwel onmogelijk om met de moeder onder vier oogen te spreken, omdat het kind op elke poging haar even alleen te laten met hevigen angst reageerde. Bovendien had ik geen oogenblik verwacht, dat deze peuter, die nog maar zeer gebrekkig spreekt, dikwijls een eenvoudige opmerking niet bleek te begrijpen en oogenschijnlijk zeer verdiept was in haar klei, naar ons gesprek zou luisteren en dit zou kunnen begrijpen. Overigens heeft zij uit het gesprek niets nieuws gehoord, hetgeen niet alleen blijkt uit haar verontwaardigd protest bij de door de moeder verkondigde onwaarheid, maar ook uit het feit, dat zij reeds in het vorige uur geheel spontaan dezelfde spelhandeling minutenlang uitvoerde. Dit alles demonstreert wel, hoezeer haar phantasie vervuld was van datgene, wat zij 's nachts vanuit haar bedje heeft kunnen waarnemen. Duiden was nu natuurlijk overbodig geworden.

Dat, in tegenstelling tot de in het 2de hoofdstuk besproken opvatting van Pfeifer, ook bij een zeer jong kind reeds ver-

Sluiten