Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenig inzicht in den graad van zijn achterlijkheid te verkrijgen wordt zijn intelligentie onderzocht met behulp van de door Irmgard Norden omgewerkte Binet-Bobertag-methode. Tot onze groote verbazing beantwoordt hij alle tests voor 13- tot 14-jarigen op twee na uitstekend en bovendien nog één proef van de testreeks voor 15- tot 16-jarigen. De serie voor 11- tot 12-jarigen wordt in 'haar geheel goed opgelost. Bij berekening blijkt zijn intelligentie-leeftijd te zijn 13 jaar en 11 maanden, terwijl zijn werkelijke leeftijd 13 jaar en 1 maand bedraagt. Zijn I. Q. is derhalve ruim 1. Zwakzinnigheid is dus uitgesloten. Henk blijkt integendeel een intelligentie te hebben, d[ie boven het gemiddelde ligt. Op grond hiervan wordt de diagnose schijndomheid gesteld. Er is dus sprake van een neurotisch geremd leervermogen.

2de behandelingsuur.

Hij vertelt nu, dat hij in de eerste klas „zoo'n erg lieve juffrouw" heeft gehad. „Toen had ik allemaal achten en negens". De aardige juffrouw ging twee maanden voor het einde van den cursus weg. Onmiddellijk daarop gingen zijn cijfers met twee tot drie punten naar beneden. Vanaf dezen tijd dateeren zijn slechte vorderingen. Terwijl hij nu reeds voor de derde maal de leerstof van de vierde klas moet verwerken, kan hij het niet tot voldoende cijfers brengen. „Ik begrijp het niet", zegt hij, „als ik b.v. een aardrijkskunde les thuis heelemaal goed ken — eigenlijk al vóór ik het geleerd heb, want ik zit nou toch al drie jaar in die klas —, dan weet ik er op school heelemaal niets van en krijg ik er weer een 3 of een 4 voor". Op de vraag of het hem veel schelen kan, dat hij steeds onvoldoendes heeft en telkens blijft zitten, antwoordt hij: „Och nee, dat geleer is natuurlijk vervelend, maar verder kan het me niets schelen". De verklaring, dat hij „heel goede hersens" heeft en evengoed zou kunnen leeren als andere jongens, laat hem koud. Het is alsof alles wat met intellectueele ontwikkeling samenhangt, hem geen belang inboezemt. Ook de mechaniek van een fiets of van een auto is hem onverschillig. Het is alsof alle kennis „taboe" voor hem is. Op de vraag, wat hij in de afgeloopen week in zijn vrijen tijd gedaan heeft, vertelt hij

Sluiten