Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als wilde schapen, evenals geiten en bergantilopen, echte rotsdieren zijn, hebben meer neiging tot hoog-springen en klauteren.

Runderkalveren vertonen niet de aangeboren neiging zich te verschuilen. Die lopen dadelijk met de moeder mee. Onze jonge Wisenten (5), evenals de jongen van antilopen, herten, geiten en andere hoefdieren — denk ook maar aan de zebra’s- en ezelsveulens — proberen dadelijk na de geboorte al overeipd te komen. Na een kwartier spelen ze het al klaar om staande tegen hun moeder aan te leunen en met een uur of wat huppelen ze flink met de moeder mee. Ook trachten ze na de geboorte al heel gauw te zuigen. Aardig, dat ze van nature al oog en neus hebben voor groenvoer, want hoewel nog zuigeling, snuffelen en happen ze toch al aan het gras en het hooi van de moeder.

Dat hoefdier-jongen zo flink toegerust, zo „klaar voor het leven” zou je haast zeggen, ter wereld komen, dat ze zo dadelijk „op eigen benen” kunnen staan en gaan en daardoor bijna onmiddellijk met de moeder mee kunnen in tegenstelling met roofdierjongen, geeft wel te denken. Bij antilopen, zebra’s, runderen, al die hoefdieren, die in grote kudden over de vlakte trekken en een zwervend leven leiden op zoek naar graas- en drinkplaatsen, moeten de jongen al gauw met de kudde mee. De moeder der roofdierjongen moet zoveel mogelijk in staat zijn, op jacht te gaan. Haar draagtijd is kort; de jongen komen ter wereld, als ze nog heel klein, heel onbeholpen zijn en brengen hun allereerste jeugd in een beschuttend hol door, waar de moeder hen komt zogen en later ook ander voedsel komt brengen, tot ze veel later zelf in staat zijn om op jacht te gaan.

Over de jeugd van onze leeuwen en tijgers, over hun „spel” (C) laat zich wel het een en ander vertellen en verklaren. Boeiend is het zeker! Het allereerste begin maak je als „publiek” niet mee, want dan blijven de welpen, die niet „blind”, maar met gesloten oogjes geboren worden, rustig bij de moeder in het nachthok. Ongeveer met de 4e dag, soms pas met de 9e dag gaan hun oogjes open en gewoonlijk komen ze dan uit eigen beweging met drie of vier weken voor het eerst in de buitenkooi. Koddig onbeholpen kruipen ze dan soms nog op „handen en voeten” rond, nieuwsgierig, met komieke snoetjes alles besnuffelend en bekijkend. Gaandeweg krijgen ze met hun bewegingsdrang, naarmate hun lichaampjes krachtiger worden, de ware slag te pakken. Dan zie je hen als teengangers op hun vinger- of teenleedjes lopen, die door zoolkussentjes beschermd worden en waarvan het laatste lid, waaraan de klauw zit, omhoog gericht is, zodat de klauwen scherp blijven. Ook dan nog zijn hun bewegingen koddig, want al waggelend op hun korte brede pootjes, lopen ze zich zelf in de weg of buitelen onhandig over elkaar heen. Na enige dagen proberen ze naar kattenaard alles te pakken te krijgen, wat ze maar zien bewegen, te beginnen met moeder’s lange staart. Je ziet zulke tierige welpen met de dag vorderen. Als je dan al kijkend naar het spel der jongen ook op het gedrag der moeder gaat letten, zou je, tenminste als je langzamerhand al niet had geleerd, niet te gauw met je oordeel te zijn, geneigd zijn te zeggen, dat ze haar jongen vóórgaat, een voorbeeld wil geven om ze tot meedoen aan te sporen. Je ziet de jongen ook werkelijk met de moeder meedoen, die ze

Sluiten