Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het troepsgewijs in een boog zwemmen hun aangeboren is, kunnen wij hier duidelijk constateren. In Artis hebben onze pelikanen aangeleerd, om twee uur bij de brug present te zijn en de vis in de bek op te vangen. Eventueel zouden ze dat bij andere behandeling van onze kant weer kunnen vergeten of afleren. Maar nooit leren ze af het boogsgewijze gezamenlijk met de vangzakken vissen, omdat dat een aangeboren aanleg bij 't voedselzoeken is. Buiten de voertijd om kun je hen dikwijls zo in slagorde zien ,,schijnvissen", want vis leeft er in onze vijver niet. De jachtdrift wordt dus, zonder dat er een prooi is, tóch uitgeleefd.

Bij Aalscholvers (17) valt iets dergelijks waar te nemen. Ook zij hebben een bepaalde aangeboren aanleg voor de visvangst. Ze duiken onder en zwemmen zigzagsgewijs onder water voort. In de vrije natuur lopen ze zó de meeste kans, vis te achterhalen. Dat ze werkelijk in zig-zag lijnen zwemmen, merken wij aan de baan van belletjes, die zij op de wateroppervlakte achterlaten en die veroorzaakt wordt door hun adem en door de ontsnapte lucht tussen hun veren vandaan. In Artis halen ze evenmin als de schijnvissende pelikanen daarbij ooit een gevangen vis op. Hoogstens vinden ze een dood exemplaar, dat bij de voedering ongemerkt naar beneden is gezonken.

Kijk je over het water verder weg naar de Lepelaars, die zo mooi uitkomen daar onder de hoge bomen, dan zie je die vogels van nature weer een andere aanleg ,,voor de leus” tot uiting brengen. Ijverig slaan ze met hun lepelbekken door het water heen en weer, zoals ze op onze Wadden en in de brakke binnendijkse wielen moeten doen om aan de kost te komen, maar wat in Artis overbodig is, omdat ze daar vooreerst geen garnalen of steurkrabben vinden en overigens hebben geleerd, uit de voerbak te eten. Toch kunnen ook zij het niet laten, hun aangeboren aard en aanleg elke dag weer uit te leven, al is er ook geen werkelijke prooi te verschalken. Die lepelaars mogen wij wel met zekere trots bekijken, want dank zij onze goede vogelbeschermers is Holland thans nog het enige land in West- en Midden-Europa, waar de lepelaar broedt, een grote kolonie in het Zwanen water bij Callantsoog, waarvan een „filiaal” op Texel en een kleinere kolonie in het Naardermeer, dat zo gelukkig voor ondergang werd bewaard door de „Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland.” Om nu op onze pelikanen terug te komen: hun keelzakken worden ook door mensen benut. In Egypte hozen ze er water mee uit boten en in de Levant maakt men er tabakszakken van. De pelikaan werd het zinnebeeld van zelf-opofferende ouderliefde, omdat men in oude tijden geloofde, dat hij zich de borst openreet om met zijn bloed de dorst van de jongen te lessen. Waarschijnlijk kwam men op die gedachte door de rode haakpunt op de gele snavel. Ze voeren hun jongen net als trouwens de aalscholvers met opgebraakte vis, waarbij de jongen hun koppen diep in de hals van de voerende ouders steken.

Pelikanen en aalscholvers hebben zogenaamde roei-voeten in tegenstelling met andere zwemvogels, zoals zwanen, eenden, ganzen en meeuwen, waarbij we van zwemvoeten spreken. Bij roeivoeten is de achterteen niet alleen binnenwaarts geplaatst, maar hij is bovendien evenals de overige tenen door een zwemvlies met de binnenteen verbonden.

Sluiten