Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de zwemvoeten zijn alleen de drie naar voren gerichte tenen door zwemvliezen verbonden, maar de achterteen zit niet in het zwemvlies.

De Aalscholver of Schollevaar, waar we zo-even al naar hebben gekeken, hoort ook tot de pelikaanachtige vogels, wat al aan zijn roeivoeten te zien is. Een naakte keelhuid heeft hij wel, maar die is niet ontwikkeld tot een grote vangzak. Aalscholvers vissen niet zwemmend, maar zoals we zagen, jagen ze duikend hun prooi na. Het is een lust, ze te zien onderduiken; je probeert te raden, waar ze boven zullen komen, maar het is altijd veel verder weg en op een plaats, die je niet vermoedde. Alles gaat bij hen even sierlijk en ongelooflijk vlug en vaardig. Daarom zeker richt men ze in China vrij algemeen voor de visvangst af. Vroeger was dit ook in Engeland in zwang. Ze krijgen dan een metalen ring om de hals en kunnen zodoende de vis niet inslikken. Na afloop van de vangst geeft men ze dan ook hun „verdiende” aandeel. Wij hebben verscheidene paren aalscholvers gehad, die bij ons gebroed hebben. Ga toch in het voorjaar eens kijken, hoe onze aalscholvers met vreemde houdingen en bewegingen, onder het uitstoten van gorgelende en krassende geluiden niet alleen van drang tot nestelen en broeden blijk geven, maar ook elkaar over en weer daartoe opwekken. Vooral het mannetje sleept daarbij takken aan, die door het wijfje in de nestrand worden vastgewerkt. Mannetje en wijfje lossen elkaar later bij het broeden en verzorgen der jongen af. De blauw-grijze kuikentjes komen na 24 dagen met nog gesloten oogjes en ooropeningen naakt uit de eieren. Hulpeloos heffen ze de roodachtige kopjes al heen en weer bewegend op. Met scheefgehouden kop neemt de voerende oudervogel behoedzaam het kopje van het om voer „bedelend” jong in de mondhoek van zijn eigen bek en voert het zo met opgebraakt, voor-verteerd voedsel. Later steken de jongen zelf hun snavels ver in de bek van de oudervogel tot in de keel toe.

Na afloop van het voeren gaan pelikanen en aalscholvers aan wal om zich na hun zwemmen en duiken de vleugels te drogen. Hoe komt het, dat ze zich het water uit hun vleugels moeten schudden en dat ze hun uitgespreide wieken geruime tijd droogwuiven? Wij zien dat toch niet bij zwanen, eenden, ganzen, meeuwen en andere watervogels. Ze hebben evenals deze een stuitklier. Ze vetten zich — net als die vogels — ook het gevederte in door met de snavel het vet uit die stuitklier in de veren te brengen, het er door te kammen en dan met de zijkant van de kop verder uit te poetsen. Met dat al worden hun vleugels toch nat, want zij kunnen hun saamgevouwen wieken niet waterdicht opbergen onder de zogenaamde draagveren, zoals zwanen en eenden dat kunnen, wier vleugelranden je dan ook in ruststand niet bij het lichaam ziet afsteken, omdat ze schuilgaan onder nauw aaneensluitende draagveren, waarop het lichaam als in een bootje op het water rust.

Nu wij het toch over zwanen hebben: vroeg in het voorjaar en verder gedurende de maanden, dat ze zich aan de broedverzorging wijden, zien wij bij onze bekende Knobbelzwanen (13), die in ’t wild in Zuid-Scandinavië, Denemarken, Noord-Duitsland, Midden- en Zuid-Rusland, Z. Oost-Europa, Toerkestan en Mongolië leven, vooral bij de mannetjes het indrukwekkende „pronken” (15). Met het bekende pronken van pauwen, kalkoenen en fazanten moeten wij dit vooral niet verwarren. Het pronken dier laatste vogels geldt van

Sluiten