Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nature de wijfjes, al zie je ze het ook wel doen, wanneer er geen wijfje in de buurt is. Het is hier weer als bij de „schijnvissende” pelikanen en aalscholvers: ze kunnen het niet laten en doen het daarom bij gebrek aan een wijfje voor een kip of zelfs voor een levenloos voorwerp, b.v. voor de Keulsche pot, waaruit ze anders drinken.

Het pronken van de zwanen vóór en tijdens de broedtijd daarentegen geldt alles, wat er in hun ogen als nestgevaar uitziet. Het is geen uiting van verlangen naar een wijfje, maar een ontzag inboezemende dreighouding tegen letterlijk alles, wat niet tot het gezin behoort. Zelfs de hun bekende oppasser of bezoekers, die ze anders vertrouwelijk, voer-verwachtend, naderen, worden nu dreigend bejegend. Het is dan ook wel degelijk zaak, uit het bereik van hun snavels en vooral van hun krachtige vleugels te blijven, want met een welgerichte slag slaan ze je duim uit ’t lid! Zo’n dreigende mannetjes-zwaan verovert zich samen met het wijfje een eigen en veilig broedterrein. Ontzag inboezemend, zo nodig vechtend, houdt hij alles op een eerbiedige afstand.

Als het „pronken” van de knobbelzwanen dus geen uiting van verlangen naar een wijfje is, hoe trekken dan mannetje en vrouwtje elkaar’s aandacht en hoe drukken ze hun tederheid jegens elkaar uit ? Dat doen ze door de veren van kop en bovenhals op te richten, zodat deze duidelijk „spreken”. Verder laat de anders stomme zwaan in deze tijd ook een eigenaardig „knarrend” geluid horen. Let daar eens op. Die dreighouding en die tederheidsuitingen komen weer op aangeboren aanleg neer en zijn dus niet te vergelijken met ons aangeleerde spreken, maar b.v. met ons boos of teder er uit zien, onze onwillekeurige aangeboren manier dus om dreiging of tederheid in gelaatstrekken en houding uit te drukken.

We zullen er in Artis nog dikwijls op bedacht moeten zijn, dat de dieren niet met elkaar kunnen spreken zoals wij, maar toch wel door onwillekeurige houdingen, bewegingen en geluiden verraden, welke aandoeningen er in hen omgaan. Dieren spreken dus geen woord, maar kunnen van nature door hun uitdrukkingsbevuegingen en geluiden elkaar en ons heel wat „zeggen”. Je zou dit kunnen vergelijken met het gedrag van mensen, die, al spreken ze er geen woord bij, onwillekeurig toch in hun houding en gezicht, blozend, lachend of huilend verraden, wat er in hen omgaat.

We gaan weer verder met de familie knobbelzwaan en zijn gezinsleven. Is het nu zo ver gekomen, dat het terrein in bezit genomen is en een paar gaat bouwen, dan nestelen ze — dit is weer hun aangeboren aanleg — alleen met takken, die op ’t broedterrein vlak voor hun snavels te grijp liggen. Ze halen niet zoals ooievaars en aalscholvers hun bouwmateriaal overal vandaan. Het legsel wordt met pikken en hevige vleugelslagen tegen elke indringer verdedigd. Na 35 dagen bebroeding komen de donsjongen uit de eieren, dreigend door de ouders bewaakt. Zelfs de grote pelikanen nemen angstig de wijk voor den „imponerenden” vader, als hij met zijn opgerichte vleugels op hen af komt. De zwaan heeft van nature nog meer interessants meegekregen. Volgens aangeboren aanleg wordt er op drieërlei wijze voedsel gezocht: vooreerst slobberen ze als geboren „zeefsnaveligen” evenals de eenden en ganzen van jongsaf aan al de waterspiegel af. Hun zeefsnavel houdt het voedsel

Sluiten