Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter en laat het water bij de mondhoeken aflopen; de tong werkt hierbij als een zuiger. Alle voedsel blijft dan op de tong en achter de ribbels van snavelranden en verhemelte hangen. Vinden ze voedsel op ’t land, dan brengen ze dat veelal eerst naar water — een regenplas kan al dienst doen — en slaan daar aan 't slobberen. Voorts proberen ze met hun lange halzen in ’t ondiepe water de bodem af te zoeken, waarbij ze soms helemaal voorover op de kop staan en al watertrappend in die houding pogen te volharden. Een vreemd, komiek gezicht, die boven het water waggelende, rechtopstaandê achtereinden van zwanen en zwanenkuikens. Een derde manier van voedselzoeken is echter wel heel verrassend en geeft door proefneming duidelijk te zien, dat het geen aangeleerde truc, maar een aangeboren beweging is. Wat toch doet de zwaan en ook het zwanenjong ? Door verticaal met beide poten en uitgespreide zwemvliezen herhaaldelijk recht naar omlaag te trappen — een ander watertrappen dus, dan het zo-even genoemde, dat diende om het evenwicht te bewaren bij het bodem afzoeken — laten zwanen en eenden allerlei voedsel van de bodem opborrelen. Nu hebben wij waargenomen bij eendjes, in de broedmachine van Artis geboren, waar ze geen modderbodem tot hun beschikking hadden evenmin als ouders, waarvan ze het kunstje konden afkijken, dat die, in een teil schoon water gezet, in geval van honger ook al ijverig aan ’t voedseltrappelen slaan! We zien hier dus zonneklaar bewezen, dat ze krachtens hun aangeboren natuur „voedseltrappelaars” zijn, zoals zoogdierjongen de geboren zuigelingen en roofdierwelpen de geboren jagers zijn.

Hoe drinken zwanen eigenlijk? Ze scheppen het water met de ondersnavel op en laten het dan in de keel lopen. Aardig is ’t verder om te zien, hoe ze soms wel eens een natte poot met wijd gespreide tenen en zwemvliezen op hun rug te drogen leggen, om hem daarna met een schuddende beweging naar voren en onder hun buikveren ter verwarming op te bergen.

Als je een neuzerig-zangerig geluid hoort, zo ongeveer klinkend als ,,niet-not-not” en je let goed op, waar het vandaan komt, dan zie je enkele zwanen, soms in een heel rijtje achter elkaar, grappig met hals en kop knikkend, aan komen zwemmen. Dat zijn de Zingzwanen, thuishorend in Noord-Europa, op Ijsland, in de toendra’s van Lapland, in Noord-Rusland en Noord-Azië. Ze houden er geen imponeer-houding op na en hebben ook geen knobbel op hun zwarte bovensnavel met heldergele ,,washuid”.

Dan hebben wij in Artis nog de Australische Zwarte- en de Zuid-Amerikaanse Zwarthalszwaan, welke laatste zijn kuikens bij het zwemmen op zijn rug meedraagt, zodat je de kopjes zo aardig tussen de vleugels ziet uitsteken.

Parmantig stappend komen de Ooievaars (D, 16) tot vlak bij het hekje. Dacht je ook niet als klein kind, afgaande op plaatjes in je prentenboek, dat ooievaars en trouwens ook vossen veel groter waren, dan ze in werkelijkheid zijn?

In Maart betrekken de Artis-ooievaars hun nesten. Ga nu dikwijls naar ze kijken, dan wacht je de een of andere dag de grote verrassing: er zijn kleine ooievaartjes uit het ei gekomen. Mannetjes- en wijfjesooievaar liefkozen elkaar met de snavels. Dat is een uitdrukkingsbeweging. Een andere uitdrukkingsbeweging is het klepperen, dat veelal door gesis

Sluiten