Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sumatra en op Malakka. In ’t zonlicht schemert door het donkere haarkleed nog een spoor van de gewone pantervlekken door.

De Poema (40), wel als berg-leeuw betiteld, is rosbruin of grijs. Ze vertoont, evenals de leeuw, in haar prille jeugd overlangs reeksen van zwarte vlekken. Dit gevlekte, op den duur verdwijnende jeugdkleed, heeft misschien wel iets te maken met een vroeger huidpatroon van voorouders uit het verre verleden. Denk in dit verband ook eens aan de gevlekte biggetjes van het effen-grauwe wilde zwijn, aan de strepen van de jonge tapir en aan de huidtekening van de meeste jonge herten, waarvan de ouders eenkleurig zijn. De Zuid-Amerikaanse Pampaskat met haar overlangse strepen heeft nog de meeste overeenkomst met de tekening der voorouders. Bij de andere roofdieren schijnen allerlei wijzigingen te zijn ontstaan. Daar zien wij zelfs vlekken, die wel overdwars uitgerekte kringen lijken, zoals tijgerstrepen dit te zien geven.

„Berg-leeuw” is wel een weidse naam, want de poema jaagt slechts op klein wild. Ook voor de mens is hij niet gevaarlijk. Hij heeft een kleine kop, een lang lichaam, korte voorpoten, hoge achterpoten en een lange staart. Aan die achterpoten zie je, dat hij een geboren springer is.

Jachtluipaarden of Gepards(36), bewoners van Voor-Indië en Afrika, nemen een aparte plaats in onder de grote katten. Het zijn de renners onder hen; ze leggen zich niet in hinderlaag, maar jagen met grote sprongen in het veld achter hun prooi aan. Perzische en Indische vorsten gebruiken hen bij de jacht op antilopen, zoals bij ons in de middeleeuwen koningen en ridders met valken op reigers jaagden. De Egyptische koningin Cleopatra had twee jachtpanters als lievelingsdieren. Als je deze dieren met hun eigenaardige Oosterse schoonheid eenmaal aanschouwd hebt, dan brengen ze je telkens die mysterieuze Egyptische in gedachten. Heel hoge poten hebben de gepards, een kleine ronde kop, waarop twee zwarte strepen als tranen over de wang lopen; in het struikgewas en tussen het hoge gras werkt deze tekening camouflerend. Als ze kwaad worden, laten ze een eigenaardig „spattend” geluid en een onheilspellend gebrom horen. Ze zijn als renners onder de katten de enige, die hun klauwen niet kunnen optrekken. Naar bouw en afstamming echte katachtigen, vertonen zij door hun wijze van bewegen enige overeenkomst met de langpotige hazewindhonden, die ze in snelheid verre overtreffen. Ze starten met een sneltreinvaartje! Toch mag de jachtluipaard niet voor een z.g. overgangsvorm tussen katten en hondachtigen worden aangezien.

De kleine katachtige roofdieren zijn in het gebouw voor kleine zoogdieren bij de ganzenvijver ondergebracht. In de wandeling wordt dit gebouw, een der oudste van Artis en vroeger verblijf voor hoenderachtige vogels, de Pullman-car genoemd. Het heeft aardig ingerichte en beplante buitenperken, die het sluipend lopen der bewoners ten goede komen. Let hier vooral eens op de prachtig getekende Ocelot of Pardelkat (37) van Zuid-Amerika met zijn typische, overlangs gerekte vlekken, die soms bijna kop-staartwaarts gerichte banden vormen; ook op de sierlijke Dwerg-tijgerkatjes (53) van Oost-Indië.

De Lossen of Lynxen (39) wijken van 't eigenlijke kattentype af en vormen dan ook een afzonderlijk geslacht. Uitstekend kunnen ze klimmen en springen, dikwijls van een boomtak

Sluiten