Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot hun verblijf geeft, is binnengegaan, glijden ze vliegensvlug op hem af en kunnen nauwelijks het ogenblik afwachten, dat hij zijn eerste weiting of haring zal uitdelen. De oppasser weet echter raad. Zo snel mogelijk, nog vóór zij zijn emmer hebben bereikt, slingert hij een handvol vis ver weg het water in of langs de stenen bassinranden. Zo is hij ze nu tenminste een ogenblik

kwijt! Het is werkelijk niet meer dan één ogenblik want ongelooflijk snel gaat alles

in zijn werk. De dieren schieten door het water, dat het een lust is, de golven slaan over de kant, dan glijden ze weer met een vaart over en naast de brede randen, ja zelfs tot aan het hek toe, als daar soms een vis neerploft. Blij joelend deinzen de kinderen achteruit, want met de zeeleeuwen komt er een vloedgolf mee uit het wildbewogen bassin, zodat het water door het hek heenspat.

Opnieuw gooit de oppasser een handje vis, ditmaal hoog op, tegen de steile opgang naar het rotsplateau. Weer onbegrijpelijk vlug hobbelen de Zeeleeuwen naar boven, slikken de vis in om even later boven op het plateau op te dagen. Nu is het grote ogenblik daar. Behendig werpt de oppasser een vis in de richting van de wachtende oor-rob, die hem in zijn bek opvangt; weer wordt er een vis gegooid, de zeeleeuw mist hem, de vis valt in t water en onmiddellijk plonst de zeeleeuw glad en sierlijk langs de waterval de vis achterna het water in(H), dat bruisend tot twee maal toe hoog opspat. Terstond daarop is hij weer vlak bij den oppasser, die opnieuw een vis de steile rotsopgang opgooit. Zo gaat het door, beurtelings een vis naar boven, dan weer een in het water of langs de kant, tot eindelijk de emmer leeg is, de oppasser vertrekt en de toeschouwers verder gaan.

Wij blijven echter nabetrachten en vragen ons verwonderd af, hoe het komt, dat de zeeleeuw zich zo buitengewoon snel in het water kan bewegen. 'V^^ij weten al, dat een dier aangepast is aan zijn natuurlijke omgeving of milieu, maar nu zijn er wat aanpassing betreft „specialisten”. Die zijn in uitgesproken mate aangepast aan het leven en zich bewegen in het water, in de lucht of onder de grond. Om bij de roofdieren te blijven, leeuw en tijger kunnen zwemmen zo goed als de hond, als ze in het water terecht komen.

Topprestaties echter, wat vlug en behendig zwemmen en duiken betreft, leveren de vinpotige roofdieren of robben: de zeeleeuwen, zeeberen, zeeolifanten en zeehonden. Wat de Zeehond(62) aangaat, die is zelfs nog meer gespecialiseerd dan de zeeleeuw, hij is eigenlijk övergespecialiseerd, want waar de zeeleeuw zijn voor- en achterpoten nóg onder het lijf kan brengen om er — zij het ook enigszins onbeholpen — op te lopen, is de zeehond alleen nog maar in staat, op borst en buik voort te hobbelen. En waar de zeeleeuwen er nog een, al is het klein, oorschelpje op nahouden, waarom ze dan ook wel oor-robben genoemd worden, vertonen de zeehonden alleen maar de ooropening. Aan hun kop steekt niets meer uit.

Op mijn dagelijkse wandelingen door Artis heb ik altijd weer schik in de gladde leuke snuit van ons zeehondje, dat in zijn bassin bij de meeuwenvijver bij het zien van een oppasser in de verte, met hals en borst recht overeind boven het water, zo grappig nieuwsgierig uitkijkt. Lettend op zeehond en zeeleeuw komen wij tot de ontdekking, dat deze dieren min of meer een „stroomlijn” hebben. Bij een gestroomlijnd lichaam stroomt, strijkt

Sluiten