Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Seróendèng djagoeng.

Benoodigd: 12 maïskolven, een halve klapper, 2 lepels gesnipperde uien, 4 gesnipperde knoflookteentjes, 1 lepel katoembar, \ lepel djienten, 1£ lepel langkwas, 2 lomboks zonder pit, 1 theelepel trassi, 2 theelepels suiker, 1-^ theelepel zout, 3 lepels assemwater.

Van de kolven worden de gele pitten afgeraspt en in boter gebraden. De klapper wordt geraspt en in een droge pan verhit. De kruiden worden samen fijngestampt en in ruim olie bruingefruit, waarna de maïs en de klapper er bij gevoegd en alles samen gebraden wordt. Ten slotte roert men er het assemwater door. Men braadt het mengsel tot het droog is.

Bekoeld kan men deze seroendeng in gesloten fleschjes bewaren.

Sambal djeroek.

Benoodigd: 2 geschilde citroenen, 4 lomboks, 1 theelepel gebrande trassi, iets zout.

De geschilde citroenen worden in dunne schijven gesneden en het sap daaruit geperst. Lomboks, trassi en zout worden met elkaar fijngestampt, de citroenschillen zeer fijn gesneden en met de kruiden vermengd tot een papje; daarna wordt het citroensap bijgevoegd en alles nog eens duchtig doorgeroerd.

Sambal badjak.

Benoodigd: 20 afgekookte lomboks, 20 uitgehaalde kemiries, 10 gesnipperde knoflookteenen, 1 theelepel fijne laos, 2 lepels fijngesneden seréh, 1 theelepel suiker, 1 theelepel zout, 1 theelepel trassi, verder bij vischsambal 1 theelepel temoekoentji en ^ theelepeltje kentjoor; bij vleesch of eieren echter“ 1 theelepel

Sluiten