Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lomboks, kemiries en kruiden (behalve de citroenbladeren) worden fijngestampt en opgebraden. Dan voegt men de bladeren en het assemwater er bij, en braadt tot de olie er uit komt.

Bewaarbaar in goed gesloten fleschjes.

Kroepoek Palembang.

Benoodigd: een bordje vol kroepoek-blindjoe (d.i. een gekneusde Indische vrucht).

Zes kleine of twee groote kroepoeks worden in een pan met veel kokende olie geworpen; ze zwellen sterk op, worden gekeerd (goed onder de olie houden!) en, als ze gaar en nog niet brum zijn, met een schuimspaan er uit gehaald. Men laat ze uitlekken en dient ze warm op.

Atjar tjampoeradoek.

Dit is eigenlijk een namaaksel van Indisch zuur.

Men neemt allerlei groenten, b.v. augurkjes, spersieboonen, peulen, bloemkool, snijboonen. Daarbij I lepel curcuma, 2 lepels fijne gember (djahé), 20 knoflookteenen, 10 lomboks, 3 lepels olie, zout en azijn.

Bloemkool en snijboonen worden fijngesneden, dan zet men alle groenten laag om laag met zout 24 uur lang in een Keulschen pot weg, een steen er op, daarover een dun doekje tegen stof. Daarna perst men de pekel uit de groenten, droogt alles 2 dagen lang op een doek in de zon en doet ze in een schoonenpot. De kruiden worden fijngestampt en in olie opgebraden, dan voegt men er den benoodigden azijn bij en kookt daarin het mengsel op. Na bekoeling giet men de saus over de groenten, roert goed om en laat alles 2 dagen staan.

In gesloten stopflesschen te bewaren.

Sluiten