Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

interesseeren ; van verschillende kanten wordt thans weer op invoering ervan aangedrongen. Dat de regeering niet onmiddellijk voor dezen aandrang gezwicht is, is op zichzelf verheugend ; de samensteling der commissie is bovendien een waarborg voor een degelijk onderzoek te dezer zake, een onderzoek te noodiger, waar men in deze materie uitsluitend placht af te gaan op min of meer overtuigende abstracte redeneeringen en gevoelsargumenten, zonder dat men ooit aan een onderzoek van de feiten toekwam *). Wij zullen ons hier de vraag naar de wenschelijkheid van de verplichte W.A.-verzekering niet stellen, aangezien dit buiten de thans aan de orde zijnde kwestie gaat. Dat men evenwel, alvorens de verzekeringsplicht in te voeren, zich goed zal hebben te bezinnen, moge o.a. blijken uit de door van Wulfften Palthe aangevoerde argumenten „contra" 2).

Wij zagen hierboven reeds, dat wanneer men het doel — onder alle omstandigheden de schadeloosstelling der slachtoffers verzekeren — wil bereiken, men de verplichte W.A.-verzekering door de directe actie moet aanvullen. Deze directe actie evenwel kan meer of minder ver gaan. De actie kan n.1. zóó ver gaan, dat de assuradeur er geen enkele exceptie tegen aan kan voeren; maar ook is het mogelijk, dat sommige excepties voor den assuradeur behouden blijven.

Wij zagen hierboven b.v., dat in Frankrijk gewoonlijk 3) de excepties, die de assuradeur ontleende aan hetgeen vóór het ongeval geschied is, voor hem behouden blijven. In Zweden daarentegen kan de verzekeraar geen enkele aan de polis ontleende exceptie aan den derde tegenvoeren (tegenover zijn verzekerde heeft hij c.q. het recht om de door hem uitbetaalde schade terug te vorderen) ; dit past trouwens geheel in het Zweedsche systeem, dat de W.A.-verzekering eigenlijk heeft omgezet in een ongevallenverzekering ten behoeve van de aangeredenen; men is daar zelfs

!) Een aanloopje tot een dergelijk onderzoek vindt men bij Den Duik, „Verzekering tegen W.A. en verplichte verzekering van Motorrijtuigen", Amsterdam, 1929, blz. 42 en 43. Den Duik rekent n.1. uit, hoeveel volwassen personen er in Nederland zijn, „voor wie geen wettelijke voorziening bij ongevallen is getroffen" ; dit aantal is uiteraard groot, maar is hiermede, gelijk de schrijver meent, de billijkheid van het treffen van een voorziening .— in den vorm van een verplichte W.A.verzekering — aangetoond ? Wij meenen van niet. Belangwekkend zou slechts zijn de beantwoording van de vraag, hoe groot het aantal verkeersslachtoffers is, dat, onschuldig aan het ongeval zijnde, in onverzorgden toestand invalide blijft of nabestaanden onverzorgd achterlaat. Ook Nolst Trénité heeft in zijn prae-advies eenige gegevens verzameld (zie Advocatenblad, 1934, blz. 122), maar deze zijn, .— trouwens het kan niet anders bij een door een particulier georganiseerde enquête — zeer onvolledig.

2) Van Wulfften Palthe, „Verplichte Automobielverzekering of een eenvoudiger oplossing", in Econ. Statistische Berichten van 13 November 1935.

3) Er zijn ook rechters, die er anders over denken ; de rechtzoekenden weten dus, dat ze met alle mogelijkheden rekening hebben te houden !

Sluiten