Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

De strafprocesvormen in het Romeinsche recht.

§ 1. De procesvorm vóór de quaestiones perpetuae.

De beschouwing der Romeinen over het wezen der straf is voor een juist begrip van de strafrechtspleging der oudheid van zeer groot belang1). Zonder deze toch is de, op tal van plaatsen van de hedendaagsche strafprocesorde afwijkende, inrichting der Romeinsche strafprocedure bezwaarlijk te verstaan.

Het welzijn van den Staat was voor het Romeinsche volk, van kleinen volksstam in den loop der tijden uitgegroeid tot wereldmacht, voortdurend in strijd met omwonende en meer verwijderde volken, een kwestie van levensbehoud. Wanneer de „populus Romanus" in eigen boezem niet ongerept het gezag van den Staat kon bewaren dan was het te voorzien dat binnen niet al te langen tijd het met zooveel moeite veroverde gebied zich ras aan den knellenden band van den vreemdeling zou weten te ontworstelen.

Het plegen van een misdrijf, (b.v. afpersing in de provinciën), bracht voor den Staat mee het gevaar van opstand en, een mogelijk succes der vijandelijke wapenen in een ver van Rome gelegen gezagsgebied kon aan de nog ongerepte reputatie van de Romeinsche macht een gevoeligen slag toebrengen.

Vandaar dan ook dat het begane misdrijf niet werd getoetst aan de bestaande begrippen van strafrecht, noch de straf, door eenige wet op het misdrijf gesteld, behoefde te worden toegepast, maar dat men zich liet leiden door beweegredenen van het voor oogen liggend Staatsbelang. Straf was dan ook niet zoozeer de wettige vergelding voor het jegens den Staat gepleegde onrecht; veeleer werd die den misdadiger opgelegd om verdere misdaden, van wie ook, te voorkomen. Zoo werd het doel door een vrijwillige ballingschap van den beschuldigde, ook te zijnen opzichte, volkomen bereikt, zonder dat het noodig was, de op het begane misdrijf gestelde,

1) C. J. A. MlTTERMAIER. Das deutsche Strafverfahren, bladz. 56.

Sluiten