Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iure enim canonico de quolibet maleficio inquiritur et cognoscitur, si iam interveniant omnia, quae sequuntur, et non aliter regulariter. In primis enim est necessarium, quod ille, contra quem inquiritur, sit infamatus de illo crimine, id est, sit publica vox et fama, quod sit culpabilis. Secundo, quod ille sit subditus, de quo est illa talis infamia, Tertio quod ad aures iudicis pervenerit illa talis infamia. Quarto, quod non semel tantum, sed pluries. Quinto, quod non pervenerit a malevolis, sed a providis et discretis. Sexto, quod non causa malitie, sed zelo iustitie talis infamia de aliquo predicitur. Et hec probantur Extra de accusationibus c. qualiter et quando.

Het was er dus verre van af dat de inquisitio zoo maar, zonder meer, bij elke strafvervolging kon worden toegepast. Nu echter eenmaal in het kerkelijke procesrecht het principe van een vervolging van ambtswege was ingevoerd, werd door de practijk de toepassing van dit principe snel en sterk uitgebreid. Was tot nu toe het ingrijpen van den rechter steeds nog afhankelijk gesteld van een hem gedane denuntiatio, hetzij dan bij een visitatie of daarbuiten, van nu af aan leidde een uitbreidende interpretatie van de Pauselijke Decretalen tot de opvatting, dat de rechter zélf, naar eigen goedvinden, het initiatief kan nemen om een onderzoek in te stellen naar het al of niet bestaan eener diffamatio, zonder genoodzaakt te zijn eerst het indienen eener denuntiatio af te wachten.

In de practijk der rechtspraak deed zich nu terstond de vraag voor hoeveel bewijs er wel noodig was om tot het bestaan eener diffamatio te mogen besluiten. Het principe, dat tot nu toe steeds had gegolden, dat een „publicus clamor", een „scandalum", noodig was, om den rechter zijn afwachtende houding te doen opgeven, was feitelijk reeds verlaten, wanneer men den rechter bevoegd verklaarde zelfstandig een onderzoek in te stellen naar het bestaan eener diffamatio. De lijdelijke rechter had dus plaats gemaakt voor den actief-aan-hetproces-deelnemenden rechter, en daarmee was tevens de idee algemeen geworden dat de rechter geheel voor de vervolging van delicten had zorg te dragen. Het was dan ook niet meer het „scandalum" dat een inquisitio noodzakelijk maakte, maar het „periculum", de algemeene preventie: met het onder het volk heerschende gerucht moet het gegrond vermoeden van schuld, met de infamia de suspicio gelijkgesteld worden. Innocentius IV (± 1240)

Sluiten