Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inquisitio van Innocentius III uit het begin der dertiende eeuw (mala fama). In de 5 eeuwen, sedertdien verloopen, was de beschouwing omtrent de vervolging van overheidswege schijnbaar niet veranderd. Alleen in verband met de herkomst der canonieke inquisitio zou het vereischte van voorafgaande infamia, dat Innocentius aan de inquisitio ten grondslag legde, zijn te verklaren. Immers men was gewend dat er aan de accusatio een inscriptio verbonden was, dat aan de denuntiatio evangelica een admonitio charitativa voorafging en zoodoende kon men er waarschijnlijk niet toe overgaan de inquisitio zonder meer direct toe te passen. Anders is het voorschrift van voorafgaande infamia niet te verklaren in een tijd dat in de wereldlijke rechtspraak een zoodanig vereischte overbodig was. Vandaar dat Innocentius III, geen genoegen nemend met een zuiver formeel bewijsmiddel als de reinigingseed en de Godsoordeelen, wèl als geweldige verbetering de inquisitio invoerde, maar dan toch nog een infamia en het bewijs van die infamia (probatio infamiae) als vereischte stelde. Dat was dus op zich zelf al de afbraak van het Karolingisch-Normandische-Rügeverfahren. De consekwente toepassing had nu ook het vereischte van een ex officio optreden van den rechter vereischt in de gevallen dat slechts een aangifte (denuntiatio) of een gegrond vermoeden van schuld (suspicio) aanwezig was.

Zoo moest, toen eenmaal de rechten van de Italiaansche stadrepublieken bekend werden, het oudere canonieke proces, als zijn tijd ten achter, wel verdwijnen.

De economische opbloei in Zuid-Europa na den eersten kruistocht had de Noord-Italiaansche steden tot welstand gebracht. Een groot gevoel van zelfstandigheid had zich baan gebroken en op politiek gebied aanleiding gegeven tot tallooze verwikkelingen met de Hohenstaufsche vorsten, waarvan vooral Frederik Barbarossa geducht de nadeelen had moeten ondervinden. Eenmaal zelfstandig geworden, richtten ze ook de rechtspleging naar eigen inzicht en behoeften in en legden deze in handen der stadmagistraten, de door de gemeente zelf gekozen consuls, of van den, formeel nog onder den Keizer staanden, Podesta.

Maar afgezien van deze nieuwigheid, dragen de stadsrechten, op

Sluiten