Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat vormde voor de allengs verslappende staatsbemoeiing ten aanzien van de vervolging van misdrijven. Waar nu Karei de Groote voor de ontzettend zware taak stond, om orde en rust in zijn uitgebreid rijk te brengen en te behouden, daar was de hulp van de Kerk, die bij deze pacificatie van zoo ontzaglijken invloed kon zijn, dubbel welkom. Het is dan ook niet te verwonderen dat in de Capitularia van de Karolingers herhaalde malen over deze „Send"gerechten wordt gehandeld.

Statuimus, ut singulis annis unusquisque Episcopus parrochiam suam sollicite circumeat, & populum confirmare et plebes docere & investigare, & prohibere paganas observationes, divinosque vel sortilegos, aut auguria, phylacteria, incantationes, vel omnes spurcitias gentilium studeat 117). Ut Episcopi circumeant parrochias sibi commissas, et ibi inquirendi studium habeant de incestu, de patricidiis, adulteriis, cenodoxiis, et aliis malis, quae contraria sunt Deo, qui in sacris scripturis leguntur, quae Christiani devitare debent118).

Karei de Groote erkende dus de belangrijkheid dezer „reizende rechters", voor de handhaving der rechtsorde. Evenwel ontging het zijn staatsmansblik niet, dat weliswaar de Staat deze aanvullende werkzaamheid van de Kerk ten hoogste moest waardeeren en bevorderen, maar dat hij de Kerk toch niet geheel de vrije hand moest laten. Vandaar dat den rondreizenden geestelijken rechter tot beschèrming niet alleen, maar ook vooral ter controle een graaf, of diens plaatsvervanger, werd medegegeven.

Decrevimus, ut secundum canones unusquisque Episcopus in sua parrochia sollicitudinem adhibeat, adjuvante Graphione,

qui defensor Ecclesiae est 119). Ut quando Episcopus

per sua parrochia circata fecerit, comité vel sculdaz adiutorium preveat, qualiter ministerium suum pleniter perficere valeat secundum canonicam institutionem 120).

Ook de opvolgers van Karei den Grooten in Oost- en WestFrankenland volgden deze gewoonte.

Ut Episcopi quietam libertatem suas parochias circumeundi, &

J17) Capit. Carol. M.a. 769, c. VII, Bal. I, 191.

118) Capit. Carol. M.a. 813, c. I, Bal. I, 5071

119) Capit. Carol. M.a. 769, c. VI, Bal. I, 191.

12°) Capit. Carol. M.a. 781, c. 6.

Sluiten