Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

De ontwikkeling der strafprocesvormen in Duitschland.

§ 1. Verbinding van het Canonieke met het Germaansche strafprocesrecht.

De verbreiding van het Christendom over de landen van Clovis en zijn opvolgers, bracht het, op Romeinsch Recht gebaseerde. Canonieke procesrecht in conflict met het, van geheel tegengestelde principes uitgaande, Germaansche Recht1).

Het Germaansche strafproces was wel, evenals het Romeinsche, accusatoir wat den vorm betreft, maar week overigens daarvan, I vooral wat de bewijsmiddelen aangaat, sterk af.

Het Germaansche Recht vertoonde ten aanzien van de bewijslevering deze afwijking, dat de beschuldigde, bij ontkenning van het hem ten laste gelegde, verplicht was zélf zijn onschuld te bewijzen (innocentiam suam ostendere). Aanvankelijk geschiedde dit daardoor dat de beschuldiger en de beschuldigde hun krachten in den tweekamp maten; later2), toen de zeden door den invloed van het Christendom minder ruw waren geworden, kon de beschuldigde volstaan met het afleggen van een reinigingseed (juramentum purgatorium) ,,des entgat he mit sinr unscult".

Hieruit kan het verzet worden verklaard dat de Kerk meer dan honderd jaren bood tegen de pogingen van de Frankische koningen, vooral van Karei den Grooten, om het strafproces óók op priesters van toepassing te verklaren. Wèl kwam ook in de Kérk de eed voor,

x) Wie die kirchlichen Strafen, so war auch das kirchliche Strafverfahren seinem ursprünglichen Charakter nach zu verschieden von dem weltlichen, um einen directen Einflusz auf dieses gewinnen zu können: es muszten Grenzüberschreitungen einerseits, und Zerrütungen andererseits demselben erst die Wege bahnen. (F. BLUHME. Quellen und Literatur des in Deutschland geitenden Strafprocessrechts. Bonn, 1854, bladz. 3).

2) Propterea non est sacramentum in Francos: quando illi legem composuerunt non erant christiani. (Edictum Childeberti c.a. 550, Pertz Legum II, 6, c. 4).

Sluiten