Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat of nog uiterst los is, de staatsbemoeiing nog zóó beperkt is dat er nauwelijks één handeling is aan te wijzen waartegen in het algemeen belang zou moeten worden opgetreden, kan men over de afwezigheid van die inquisitoire gedachte niet verwonderd zijn. Het behoorde vanzelfsprekend tot de taak van den benadeelde, verslagene of diens familie om zich met geweld, op kosten van den tegenstander, de gewenschte voldoening te bezorgen. Maar hij had het recht — we zagen het reeds in het tweede stadium van ontwikkeling van het strafrecht — deze genoegdoening voor het gerecht in de vergadering der dingplichtigen, door aanklacht „claghe", te vorderen, al moest hij zich dan ook met de, volgens gewoonterecht, bepaalde compositio — boetetax — van den dader vergenoegen. Daartoe werd deze dan ook gedwongen, en om dezen dwang draaide het geheele strafproces.

Si quis pro faida pretium recipere non vult, tune ad nos sit transmissus et nos eum dirigemus, ubi damnum minime possit facere. (Kar. M. Cap. a. 779. Pertz. Legum I, 39, c. 29.)

Deze opvatting veranderde slechts langzaam.

Doch wie die Natur selbst keinen Sprung thut, eben so wenig springt ein freies Volk aus zügelloser Freiheit und dem rohen Naturstande in einen schon völlig ausgebildeten Staatsverein 6).

Zin voor orde en gezag ontwikkelen zich ook in een nog weinig gecompliceerde samenleving als dringend noodzakelijk. Uit den eisch van orde spruit alles wat gezag is, uit de behoefte aan veiligheid alles wat recht is7).

Ontluikende gezagsfundeering leidt bij onvoldoend tegengaan van vredebreuk eerst tot gezagsbedreiging dan tot verkleining en ontkenning ervan. Niet meer uitsluitend private belangen worden door den vredeverstoorder geschaad, ook in ruimeren kring vindt zijn daad verzet. Bevrediging van individueele eischen is niet meer voldoende, ook gekwetst gemeenschapsbelang vraagt genoegdoening. De daad van vredeverstoring was dus van structuur veranderd. Droeg zij eerst een zuiver persoonlijk karakter later was zij, als de

6) G. L. MAURER. Geschichte des altgermanischen und namentlich altbairischen oeffentlich-muendlichen Gerichtsverfahrens etc. Heidelberg, 1824, bladz. 7.

7) J. HuiZINGA. In de schaduwen van morgen. Haarlem, 1935, bladz. 29

Sluiten