Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op straffe van boete verplicht aan de vervolging van roovers hunne medewerking te verleenen.

ut nullus latronem celet, sed illum missis manifestet 11).

De bewapende vrijscharen (trustes) waarmede de graven en hun onderbeambten bepaalde landstreken afliepen op zoek naar misdadigers, vormden voor de vredige bevolking evenals voor de, in hun rust gestoorde, roovers een even groot gevaar. Vandaar dat reeds in den eersten tijd van Karei de Groote's krachtig bewind den gouwgraven verboden werd dergelijke vrijscharen te vormen.

De truste faciendo nemo praesumat 12).

Hiervoor in de plaats legde hij den grondslag van een werkelijk strafproces. Daartoe werd gebruik gemaakt van een instituut, dat onder den naam van ,.inquisitio" reeds in den Merovingischen tijd bekend was, hoewel in hoofdzaak voor civiele processen. De zendboden n.1. maakten, bij hun onderzoek in fiscale gedingen over domeinen en andere koninklijke goederen, gebruik van de verklaringen van, voor dit doel uitgekozen, ingezetenen.

Bij gelegenheid kwam het ook wel voor dat de graaf, door middel van zulke „Gemeindeaussagen", den aanklager behulpzaam was bij het opsporen van den onbekenden dader, ten einde hem in staat te stellen een aanklacht in te dienen. Op het einde van de 8e eeuw nu werd in de plaats van de aanklacht van den gelaedeerden enkeling de collectieve aanklacht van beëedigde gemeentenaren gebruikelijk. (Gemeinderüge.) De koningsboden, missi regii, en in Italië ook de graven, werden gemachtigd een groep onderdanen op te roepen en te beëedigen teneinde mededeeling te krijgen van in hun district begane misdrijven. Werd nu tegen een persoon een beschuldiging ingebracht dan kon deze, door den ambtenaar voor het volksgerecht gedaagd, verplicht worden zich van de aanklacht te reinigen:

Judex unusquisque per civitatem faciat iurare ad Dei iudicia homines credentes iuxta quantos praeviderit, ut cui ex ipsis cognitum fuerit, id est homicidia, furta. adulteria, et de inlicitas coniunctiones, ut nemo eas concelet 13).

11) Capit. Car. Calvi, tit. XIV, c. 4.

12) Capit. Haristallense 779 Mense Martio. M. G. H., Capit. I, 50.

13) Capit. Pipinni. 782—86, c. 8. M. G. H. leges. Boret. I, 192.

Sluiten