Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diser ordnung klerlich funden wirdt) beschehen, vnd nit auff vermutung oder anzeygung.

Wij zien het dus: alléén gerechtelijke bekentenis en dirècte bewijslevering door getuigen („mit zweyen guten zeugen" art. XXIII) kunnen tot veroordeeling leiden; voldoende aanwijzing ,,so die anzeygung gnugsam ist", heeft hoogstens tortuur ten gevolge.

Vandaar dat men in de Carolina talrijke artikelen aantreft die verder uiteenzetten wat onder ..gnugsame anzeygung" moet worden verstaan.

Es leuchtet ein, zegt schoetensack, dasz die kardinale Frage in der C. C. C. dahin lautet: welche Indizien sind zur Anwendung der Folter erforderlich? 31)

Met achterstelling van de bewijslevering door getuigen, die niet „vonn frembden hören sagen" maar „von jrem selbs eygen waren wissen" (LXV) getuigenis moesten afleggen, werd aan die door bekentenis verkregen alle waarde gehecht. De rechter moest de waarheid uit den mond van den beklaagde zélf, die de „Urquell des Beweises" (Fehr, bladz. 285) was, hooren. Zélf moest de beklaagde zich schuldig of onschuldig verklaren. De taak van den rechter bestond alleen daarin dat hij op wettige wijze een bekentenis moest afdwingen, en door ,,fleissige mögliche erkundigung vnnd nachfrage" de „warheyt" aan den dag brengen.

Ondanks de goede bedoeling van den wetgever die de foltering binnen bepaalde grenzen had gehouden en hare toepassing van vele voorwaarden had laten afhangen, werd volgens het woord van Fehr:

die Folter in der Hand verblendeten, einfaltigen oder bestochenen Richter zu den fürchterlichsten Werkzeug, das die Prozessgeschichte gekannt hat.

Een andere vraag van het uiterste belang was deze:

Komt het recht van vervolging van den misdadiger nog steeds toe aan den getroffene, of is dat recht overgegaan op de Overheid, die nu door middel van zijn ambtenaren ambtshalve een vervolging instelt zonder een aanklacht af te wachten?

31) AUGUST SCHOETENSACK. Der Strafprozess der Carolina. Leipzig 1904, bladz. 44.

Sluiten