Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De ontwikkeling der strafprocesvormen in Nederland.

§ 1. Overzicht tot de Crimineele ordonnantie. Overgang naar het inquisitoire strafproces.

Wanneer wij de geschiedenis van de ontwikkeling der rechtsinstellingen en met name de verandering der ^vormen van het strafproces nagaan, dan stuiten wij, voornamelijk wat de vroegste tijden betreft, overal op dezèlfde instellingen. Ook in ons land golden regels en vormen, die wij, bij de beschrijving van de ontwikkeling van het Germaansche en oud-Fransche strafproces hebben aangetroffen.

Onverzwakt gold ook te onzent het adagium:

Voort daer geen klager is, sal geen Rechter wesen.

Zoo o.a. het Landrecht van Kennemerland van 1291:

alsoo langhe als de Rechter sittet te rechtene, soo en

mach hy niemandt beklagen, noch over yemandt rechten sonder klagher !).

De aanklacht geschiedde ter openbare vierschaar op het ongeboden ding. Wanneer er geen betrapping op heeterdaad (versche daad), bekentenis (overwinning, gichtende mond) of corpus delicti (blickende schijn) aanwezig was, kon de beschuldigde zich zuiveren.

hetzij door een godsoordeel, hetzij door een eed 2).

a) F. van mieris. Groot Charterboek der Graaven van Holland, van Zeeland en Heeren van Friesland: II, 723, I, 536, II, 90.

2) Wilde de beschuldigde de misdaad bekennen, dan verscheen hij voor het gerecht als boetedoener:

Item soe wye in den heymaill beroepen ijs ende hem ontschuldighen (d.i. schuld erkennen en zoenen) wyll, die sall koemen ant gerichte in eenen hemde, in een nederklet, bloitzhoiveds, bairvoetz ende bijens (beens), sunder yser ende sunder staill, ende syne volgers sunder goirdell, sunder mess, bloitzhoives.

vermeld bij: L. Ph. c. van den bergh. Verhandeling over de oude wijze van strafvordering, bladz. 70.

Sluiten