Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze gewoonte echter werd ook hier, om hoofdzakelijk dezelfd^ redenen als in andere landen dikwijls nagelaten.

Wij hebben er reeds op gewezen, dat, in geval van misdrijf gepleegd op personen die geen bloedverwanten/ hadden om als klager op te treden2*), de gemeenschap tusschen beide trad; dat, om den haat, dien de beklaagde tegen den beschuldiger koesterde, af te wenden en de aanklachten onpartijdig, zeker en juist te maken, reeds in den aanvang der 9e eeuw, overal bepaalde personen uit de ingezetenen werden gekozen, die dergelijke misdrijven moesten opsporen en op de algemeene placita of de ongeboden grafelijke gerechten aangeven 3).

Ut in omni comitatu, hi qui meliores et veraciores inveniri possunt, eligantur a missis nostris ad inquisitiones faciendas et rei veritatem dicendam, et ut adjutores Comitum sint ad justitias faciendas. ,

Wij herkennen hier het „Rügeverfahren" uit den Karolingischen tijd. Volgens de meening van van den Bergh is uit dit Rügeverfahren de zoogenaamde „stille waarheid" voortgekomen, als een ontaarding van de oude Karolingische inrichting, die eerst later, toen de openbare en algemeene jaargedingen begonnen te verouderen, in zwang gekomen is4).

Ook Bennecke5) stelt de stille waarheid (veritas) op één lijn

2a) In het bisdom Utrecht b.v. werd in dit geval de rechter (d.i. de bisschop) met de aanklacht belast: Uitvoerig handelt hierover een brief van Keizer Karei IV van 1349, waarin tevens de redenen worden vermeld, welke de verandering noodzakelijk maakten.

qui parentes et consanguinei aliquando propter potentiam homicidae,

aliqaando propter negligentiam aut favorem sen collusionem, sine ex aliis causis frivolis exquisitis, occisi injuriam prosequi praetermittunt et sic plerumque maleficia tam enormia remanent impunita.

Quapropter consuetudinem hujusmodi minus justam, immo corruptelam potius, juri contrariam et iniquam, de Regalis auctoritate nostrae excellentiae penitus abolentes, ipsi Episcopo-mandamus, quatenus non obstante consuetudine — de homicidiis quibuslibet — justitiam faciat expeditam, etiamsi parentes aut consanguinei occisorum, causa vel occasione quacunque, occiso injuriam prosequi negligant (v. mieris, II, 763).

3) L. Ph. C. van den BERGH. Ibidem, bladz. 50.

4) v. d. BERGH. Ibidem, bladz. 50.

5) H. bennecke. Das Strafverfahren nach den hollandischen und flandrischen Rechten des XII und XIII Jahrhunderts. Marburg 1886.

Sluiten