Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

per fesfes (veritas) alleen bij bepaalde zware misdrijven werd toegepast.

Voornamelijk van den kant der stedelijke regeeringen ontstond verzet tegen het houden der grafelijke stille waarheden toen de stedelijke en landelijke schepenbanken omstreeks het begin der 14e eeuw een gedeelte van het lijfstraffelijke rechtsgebied hadden verworven en deze macht zochten uit te breiden lla).

Om aan deze belemmerende werking der veritas een einde te maken 12) werd een eenvoudig en probaat middel toegepast. In de steden werd een subsidiaire ambtenarenklacht ingevoerd in geval een klager ontbrak. Er vond dan, wat men noemde een „aanspreken sunder den klegere" plaats.

ende aldus, so mach die bailliu jof die scouthete doen in allen andren saken daer die claghere sal gebreken. (Warnk. II, LVI, ad. 1, (1281).)

Of er werd bepaald:

quamvis aliquis clamorem suum facere noluerit vel perdiderit, justitiarius tamen jus suum habebit. (Warnk. II, CLX, ad. 41, (1240).)

De waarheden zijn later, door de instelling van vaste gerechtshoven, in onbruik geraakt.

§2. Twee en een halve eeuw Crimineele Ordonnantiën. Onder den druk van het inquisitoire systeem.

Reeds betrekkelijk vroeg treffen wij hier dus in principe dezelfde

l'») Van den bergh. Ibidem, bladz. 51/2.

12) Bij ordonnantie van Keizer Karei V van 4 Maart 1533/1534 werd het bezitten van stille waarheid door den baljuw en het beëedigen van ,,mannen van diefscepen" en „bedraagsluiden" (welke in de plaats van alle vrije luiden van elk dorp op het jaargeding moesten verschijnen) afgeschaft; terwijl het niettemin den baljuw vrij stond precedente informatie, eens 's jaars te nemen, en een omgang ten dien einde te doen, bijzonder als eenig misdrijf in een of ander dorp gepleegd was. En daarmede schijnt dan ook alle overblijfsel van het beleggen, gebieden, bezitten, hooren van gemeene waarheid of stille waarheid, in de Provincie Holland te hebben opgehouden. (ackersdijk, bladz. 24.) Dat de mannen van diefscepen ende mit den welcken den baeliu tot zyn coste altijts alst hem beliefde binnen elcke dorp van zijne bedrijuven pleecht een stitle wattheyt te sitten, voertaen of zullen wezen maer indien den baeliu eens sjaers goetdunckt eenen ommeganck te doene ofte informacie precedente te nemen ouer de dorpen van Zuithollant sal t z e 1 u e mogen doen. P. H. van DE wall. Handvesten van Dordrecht, II, 967.

Sluiten