Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In noot 1 op art. XXXII evenwel doet hij de extraordinaire procedure uitsluitend afhangen van de bekentenis en niet meer ook van „tuygkunden".

extraordinarie, dat is alleen op de confessie en bekentenis

van den Beschuldigden, sonder eenigen treyn van procedeeren toe te laten.

Ook PlETER BORT beschouwt de bekentenis als onmisbare voorwaarde van een extraordinaire procedure.

Tit. IV. 42. Want omme extraordinarie tegens een be~ schuldighde te kunnen procederen, soo werden vereyst, ende moeten nootwendich twee essentieele requisiten zyn, vooreerst, dat het feyt daer mede ymant is beschuldicht, by den selven beschuldichde is bekent, ende soodanich geconfesseert, dat op deselve Confessie alleen, & per se condemnatio kan volgen, want de Confessie van den Delinquant in diervoegen niet wesende gequalificeert, dat deselve per se sufficiens est ad condemnandum, ende sulkx noodich soude zijn, daer by noch eenige andere bewijsen, buyten de Confessie van den beschuldichde te voegen, soo en kan niet extraordinarie geprocedeert werden, alsoo 't selve op Confessie alleen kan geschieden. 45. Ofte de Confessie van den beschuldighde in diervoegen niet wesende gequalificeert, dat deselve per se sufficiens est ad condemnandum, soo deficieert het fundament van extraordinaire Proceduyren, 't welcke is confessio delinquentis, seu notorium, ende spreeckt dien volgende de saecke selfs, dat niet extraordinarie en kan werden in soodanige gelegentheydt van saecken geprocedeert, maer alleen ordinario modo, gevende aen deselve Proceduyren omnia & singula sua requisita, als in civile saecken.

Ten tweede moest, om extraordinarie te kunnen procedeeren, het misdrijf van dien aard zijn „dat de benaeminge van 't feyt, de misdaedt selve voor sich brenght, als ten exempele in Moort, Doodslach, etc. in dewelcke, 't feyt zijnde bekent, de misdaedt met eene daer is" (BORT, Tit. VII, § 40.)

Ende ten tweeden soo wert om extraordinarie te kunnen procederen oock gerequireert, als het feyt by den beschuldigden al is bekent, ende geconfesseert, dat het selve geconfesseerde feyt oock dan noch soodanigh is gequalificeert quid per se 6 sine ulla contradictione crimen importat, & quidem tale crimen, daer toe na Rechten, Placcaten, ofte Costuymen van den Lande, eenige straffe is gestelt. (BORT, Tit VII, § 46.)

Sluiten