Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijde meende men in het ontwerp sommige, voor den beklaagde noodig geoordeelde waarborgen tegen willekeur en kwalijk gewijsde, te missen. (VOORDUIN, ibidem XII.)

Tengevolge van de vele, breedvoerig ontwikkelde, aanmerkingen, kwam er in 1829 een nieuw ontwerp ter lafel. Bij de opening der discussies, 16 Maart 1830, betoogde de Heer Sypkens, lid dei commissie van redactie, „dat de wetgever aan den eenen kant bedacht moest zijn op de middelen, om met gepasten spoed de hoogst mogelijke zekerheid daar te stellen, dat de misdaad door regtvaardige straffen beteugeld en de maatschappij gewroken worde; terwijl hij aan den anderen kant moet zorgen voor eenen waarborg, dat geen onschuldige vervolgd, of aan de folteringen van een lijfstraffelijk recht overgeleverd kan worden."

De Heer Sandelin, na den Heer Sypkens het woord voerende, had zich aldus afgevraagd: ,,op welke grondslagen behoort onder eene staatsregeling als de onze, d.i. in eene monarchie, door de liberaalste bepalingen getemperd, het stelsel van strafvordering te berusten?" Het antwoord was geweest: de handhaving der individueele veiligheid en vrijheid; de onschendbaarheid van de woonstede der ingezetenen; eene gelijke vrijheid van beschuldiging en verdediging; de meest mogelijke bespoediging der regtsvervolging; de zorg tegen alle mogelijke willekeur, tegen alle noodelooze gestrengheid en tegen allen gevaarlijken invloed der ambtenaren, die met het opsporen der misdrijven belast zijn; het bezit van afdoende waarborgen, dat de inbreuken op de wetten ontdekt, en de daders gestraft worden, en eene zoodanige vaststelling der wijze van regtsvervolging, waardoor de bovenstaande doeleinden bereikt worden, zoodat de schuldigen nimmer hoop kunnen voeden, zich aan de door hen beloopene straffen te onttrekken, en de onschuld nimmer voor het verlies van goeden naam of rust te vreezen heeft. (VOORDUIN, Dl. XXI.)

De Heer Donker Curtius gewaagde van echte liberaliteit, die bij de samenstelling dezer ontwerpen had voorgezeten, ten aanzien van de gunstige bepalingen, voor den verdachte gemaakt.

Met deze lofprijzing zijn echter niet alle schrijvers het eens. De samenstellers van de „Aanmerkingen op het ontwerp (1828) van het wetboek van strafvordering, voor het Koningrijk der Nederlanden" teekenen bij den Tweeden Titel „Van den Regter-Commis-

Sluiten