Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

complique. Est on décidé au contraire a ne consulter que les intéréts et les besoins de la nation, a n'atteindre que le coupable en épargnant 1'innocent!

L'oeuvre se simplifie."

Doordat de Regeering, „om tot een einde van zaken te komen" veel had toegegeven, werd het wetboek in Mei en Juni van 1830, zoowel door de Tweede als door de Eerste Kamer, met een groote meerderheid van stemmen aangenomen.

De herziening van het wetboek in 1836 had plaats, toen gedurende verscheidene jaren een reeks van wederzijdsche opofferingen en gemeenschappelijk gedragen teleurstellingen den band tusschen Vorst en volk op het nauwst hadden toegehaald.

Eén hoofdbeginsel had der Regeering hierbij voor oogen gestaan, om namelijk geen inbreuk te maken op of af te wijken van de milde beginselen, waarop het wetboek van 1830 berustte, en die zoo zeer met den landaard der natie geoordeeld werden overeen te komen. (Voorduin, ibid. XXVIII/XXIX.)

Niettegenstaande deze wenschen kwam het karakter van het in 1838 ingevoerde wetboek bijna geheel overeen met dat van de Code d'Instruction criminelle.

Met het wegvallen der Jury was de, op den grondslag der blootgemoedelijke overtuiging berustende, bewijsleer, vervangen door de negatief-wettelijke.

Het wetboek maakte, evenals de Code, onderscheid tusschen vooronderzoek en eindonderzoek. In het eerste, geheim en schriftelijk, was de beklaagde nog geheel object van onderzoek en verdediging niet toegelaten.

Daarentegen kon de officier van justitie, op verzoek van den regter-commissaris, het onderzoek gedurende de voorloopige informatiën (titel II) en de verdere geregtelijke instructie (titel III) bijwonen.

Bij het eindonderzoek werd de beklaagde als partij erkend en werden hem partijrechten toegekend.

Verzet tegen dit wetboek, dat de ontwikkeling van het nationale strafproces had onderbroken, bleef niet uit.

De schrijver van het reeds eerder genoemd werkje „Proeve van

Sluiten