Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ministerie en de rechtbank: niet omdat ik twijfel aan de welwillendheid van alle rechterlijke colleges voor alle beklaagden die er voor terechtstaan, maar omdat de beklaagde daar niet altijd van overtuigd is en men aan hem moet overlaten hoe hij zich verdedigen wil" (bladz. 234).

Den 23sten October 1885 besloot dezelfde spreker een in de Tweede Kamer gehouden improvisatie met de woorden: ,,Ik weet dat het weinig baat hier op te komen voor de rechten van den beklaagde, ik weet, dat, zoo iemand daarvoor opkomt, men het voorstelt alsof het te doen is om schuldigen aan de straf te onttrekken, maar dit zal mij niet beletten om voor de rechten van den beklaagde te blijven opkomen, omdat, zoolang de beklaagde niet is veroordeeld, hij evenveel recht heeft als ieder ander, vooral — let wel niet uitsluitend — op de terechtzitting. In ieder land is dat groote beginsel veel meer erkend dan ooit in deze Kamer geschied is 41a).

Enkele dagen vroeger had de heer De Ranitz, officier van Justitie te Arnhem, zich in tegengestelden zin uitgelaten:

,,Par le temp qui court", hebben de beklaagden bij deze discussie le beau röle. Minstens moeten de beklaagden in het Openbaar Ministerie in alles gelijkgesteld worden. Maar het vermoeden is er zelfs voor, dat de beklaagden allen zijn brave, eerlijke, onschuldige lieden, en dat de officier, die ze uit naam der wet, als vertegenwoordiger van de maatschappij, en in haar belang, vervolgt, is de kwade man" (bladz. 47/48).

A. A. de Pinto laat hierop volgen:

„De officier gaat ook weder uit van de onhoudbare stelling, dat hij, die rechten en waarborgen eischt voor den beklaagde, aan de rechten der magistratuur te kort doet en wantrouwen in haar predikt" (bladz. 48).

Zoowel in als buiten het parlement kon men stemmen vernemen die getuigden van eene geringe sympathie met, om niet te zeggen antipathie tegen, de nieuwe richting op het gebied der strafrechtspleging.

Woorden die 40 jaar later hadden kunnen gesproken zijn.

Immers bij de totstandkoming van ons huidig wetboek van straf-

•ha) A. A. de PlNTO. Ibidem, bladz. 47.

Sluiten