Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de bloemen, die toen in de strafprocedure zijn gebracht, is er een leelijke distel ingeraakt.

Dat toen niet door mij of door mijn medeleden een poging is gedaan om die distel er uit te trekken, zal mede moeten worden toegeschreven aan den op dat tijdstip heerschenden geest in de Kamer.

Reactie op die bepaling bracht 5 jaar later de, tengevolge van het initiatief van den heer SASSE VAN IJSSELT, aangebrachte wijziging, waarbij de mededeelingsplicht voor de behandeling ter terechtzitting werd geschrapt.

De aldus getroffen regeling, aldus vervolgde de Minister, is echter voor velen en ook voor mij een steen des aanstoots gebleven en in den loop der jaren in nog steeds erger mate geworden.

De kern van het kwaad schuilt in het den verdachte in den tweeden zin van art. 29 toegekende zwijgrecht. Dit uitdrukkelijk toegekende zwijgrecht miskent den aard en de beteekenis van de strafvervolging.

De verdachte beschikt uiteraard in de overgroote meerderheid van de gevallen over de beste gegevens.

Het zwijgrecht wordt dus re vera toegekend aan een verdachte, die wat te verzwijgen heeft, ik kan dat slechts als een anomalie in ons strafproces beschouwen.

Met overgroote meerderheid werd het, door de Commissie van Privaat- en Strafrecht geamendeerde wetsvoorstel, in de Kamer aangenomen.

De bepaling ,,De verdachte is niet tot antwoorden verplicht" bleef behouden.

De mededeelingsplicht en de vermelding hiervan in het procesverbaal werden geschrapt.

★ ★

Reeds van betrekkelijk vroege tijden af vertoont ons strafproces een inquisitoir karakter, inquisitoir genomen in den zin van strafvervolging door de Overheid. Ook in lateren tijd, is dat, zonder onderbreking, zeer zeker tot op heden het geval.

Legt men voor de beoordeeling van het accusatoir of inquisitoir karakter een anderen maatstaf aan als b.v. de positie, welke de verdachte in het onderzoek inneemt, dan stuiten wij op zeer opmerkelijke dingen.

Sluiten