Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtspraak en bestuur; „oneigenlijke" rechtspraak.

Voor mij is hier vooral van belang het terrein, dat zich bevindt tusschen de rechtspraak eenerzij ds en de uitvoering, ook wel bestuur genaamd, anderzijds. Ook hier zijn er zooveel tusschenvormen en verloopen deze zoo gelijkmatig, in bijna onmerkbare verschillen, van de rechtspraak naar het bestuur en omgekeerd, dat een scherpe grens niet te trekken is; in iedere poging om toch zoo'n grens te bepalen voelt men terstond iets gewrongens en willekeurigs. Op dit terrein nu tusschen rechtspraak en bestuur ligt o.a. de administratieve rechtspraak (de juiste plaats daarvan wil ik hier in het midden laten, dat zou mij te ver van mijn eigenlijke onderwerp afvoeren), maar op dit terrein ligt nog meer.

Behalve het berechten van geschillen, de eigenlijke rechtspraak, heeft de wet n.1. aan de leden van de Rechterlijke Macht tal van werkzaamheden opgedragen, die naast een min of meer uitgesproken rechtspraakkarakter in meerdere of mindere mate een tweede karakter vertoonen, dat aan bestuur of uitvoering doet denken. Men pleegt deze rechterlijke werkzaamheden om dit afwijkende karakter „oneigenlijke" rechtspraak te noemen. Het feit, dat de handelende overheidspersoon hier een rechter is, maakt het soms wel wat moeilijk om aan bestuur te denken (vandaar ook de naam oneigenlijke „rechtspraak" voor dit soort verrichtingen), maar als men in gedachten den rechterlijken ambtenaar door een bestuursambtenaar vervangt, dan ziet men duidelijk, dat dit tweede karakter inderdaad niets anders is dan bestuur of uitvoering. Wanneer bijvoorbeeld de Kantonrechter ingevolge art. 99 B.W. zijn tusschenkomst verleent1), en verleenen moet, zonder op den gang van zaken ook maar den minsten invloed te kunnen uitoefenen, dan is het dunkt mij niet erg gewaagd om hier van uitvoering te spreken. In dit verband is het aardig te wijzen op art. 154 van den Code Civil, dat de gelieven in hetzelfde geval naar een notaris verwijst.

De meening, dat in de „oneigenlijke rechtspraak" iets van be-

') Bij het ontbreken der ouderlijke toestemming voor een huwelijk van meerderjarige kinderen beneden 30 jaren.

Sluiten