Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk II

IN HOEVERRE ZIJN BIJ DE PROCEDURES VAN VRIJWILLIGE RECHTSPRAAK DE VOLGENDE, ALGEMEENE BEGINSELEN VAN DE CONTENTIEUSE PROCEDURE VAN TOEPASSING

§ 1

Verplichte vertegenwoordiging

Inleiding.

Een algemeene bepaling, betreffende de toepasselijkheid van het beginsel der verplichte vertegenwoordiging bij de procedures van vrijwillige rechtspraak, is in onze wet niet te vinden. Bij enkele procedures van vrijwillige rechtspraak heeft de wet een bijzondere bepaling betreffende de toepasselijkheid van dit beginsel gegeven *), maar bij het meerendeel dezer procedures bewaart de wet ten aanzien van deze quaestie een diep stilzwijgen. Alvorens uiteen te zetten, wat naar mijn meening bij deze laatste procedures in dit opzicht rechtens is, is het noodig, dat ik eerst mijn aandacht bepaal tot de vraag, in hoeverre en waarom het beginsel der verplichte vertegenwoordiging bij de contentieuse procedure in onze wet is aanvaard.

Omvang van dit beginsel bij de contentieuse procedure.

Het beginsel der verplichte vertegenwoordiging is neerge-

') In de artt. 320a, 482, 554, 847 en 856 R.v.; 41e en 53 W.v.K.; 5, 214 en 283 F.w.; 1, 2 en 6 Wet 21 Mei 1931 S. 202 (Fruin bldz. 1326) aanvaardt, in de artt. 3856 B.W.; 871 (oud) R.v.; 315 W.v.K.; 22 en 24 Krankzinnigenwet; 9 en 10 Merken wet; 20 Kieswet; 50 d Auteurswet verwerpt de wet dit beginsel voor de desbetreffende procedure.

Sluiten