Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtsgrond van dit beginsel.

De reden, waarom het beginsel der verplichte vertegenwoordiging in onze wet is aanvaard, is gelegen in het feit, dat het voor partijen niet mogelijk is, om zonder de hulp van een specialist de desbetreffende procedures te voeren, en wel wegens haar gebrek aan de noodige vaardigheid op dit gebied. Dat dit werkelijk de reden is, en niet het gebrek aan algemeene rechtskundige kennis van partijen, blijkt in de eerste plaats uit het feit, dat het beginsel zich zelfs uitstrekt tot rechters enz., die, getuige lid 2 van art. 29 R.v., slechts hun eigen zaak mogen bepleiten (eveneens uitsluitend voor Rechtbank of Hof) en in de tweede plaats daaruit, dat bij het ontstaan van ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het zijn van procureur niet eens een waarborg voor algemeene rechtskundige scholing gesteld was 5).

Gaat men bij de schrijvers zijn licht opsteken over deze quaestie, dan ziet men, dat zij inderdaad ook de bovenvermelde reden, zij het soms in wat andere bewoordingen, opgeven 6),

') In de „Memorie van Toelichting tot de herziening van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering" (Vierde Bijvoegsel tot de Ned. Staatscourant van 16 Februari 1837 No. 40) wordt in de inleiding onder meer gezegd :

; maar vooral was in het aangenomen wetboek, tastbaar het

„gebrek aan eene goede litis contestatie, ....

„Men heeft dan ook getracht in dit gebrek te voorzien door in het wet„boek weder op te nemen het stellen van praktizijns; . . . . "

en ad art. 19 van het eerste ontwerp:

„De dienst der procureurs heeft men geoordeeld niet te kunnen mis„sen en tevens geene reden te hebben om dezelve onder den onbepaal„den naam van verdedigers of practizijns te verbergen; in zaken van „eenigen omvang, vooral bij de grootere regtbanken, en bij de hoven, „is het van de advokaten niet te vergen zich met het eigenlijk werktuigelijke van het geding te belasten; zij kunnen hun tijd nuttig ge„noeg besteden aan het onderzoek van het wezen der zaak, . . . . ; „het zuiver formulierwerk, . . . ., zij den procureurs aanbevolen:. . . ." (Deze passages zijn resp. ook te vinden bij Voorduin, Geschiedenis en Beginselen der Ned. Wetboeken, deel I, le stuk, bldz. 420 en bij van den Honert, Handboek Burg. R.v., bldz. 174, ad art. 21 R.v..) •) Zie: Star Busmann, Hoofdst. Burg. R.v., deel III, 2e druk, bldz. 319, No. 249; Faure, Procesrecht I, 3e druk, bldz. 186.

Sluiten