Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het al of niet gelden van het beginsel der verplichte vertegenwoordiging ten aanzien van die bepaalde procedure heeft uitgelaten. De gevallen, waarin de wet het beginsel aanvaardt, worden naar analogie, de gevallen, waarin zij het beginsel verwerpt, a contrario uitgelegd 16). Dit argument is mijns inziens al zeer weinig zeggend. Immers met even veel recht kan men de redeneeringen naar analogie vervangen door redeneeringen a contrario, en omgekeerd, om zoodoende tot een volkomen tegengesteld resultaat te komen.

Het derde argument is ontleend aan art. 43 van het Tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken. In dit artikel n.1. wordt het salaris vastgesteld, dat de procureurs mogen berekenen voor verschillende door hen gedane verrichtingen en daaronder somt de wet ook op het opstellen enz. van requesten. Zij, die dit argument aanvoeren, redeneeren nu als volgt: De wet noemt hier het opstellen enz. van requesten onder de gewone werkzaamheden van de procureurs en gaat er dus blijkbaar van uit, dat het beginsel der verplichte vertegenwoordiging zich ook tot de procedures van vrijwillige rechtspraak uitstrekt. Star Busmann 16) acht dit argument zelf „van minder beteekenis" daar uit dit artikel hoogstens volgt, dat vertegenwoordiging door een procureur i. c. geoorloofd is, doch geenszins, dat zij verplicht zou zijn. Om dezelfde reden acht ik genoemd argument van geen beteekenis.

Het vierde argument luidt, dat de artt. 873 en 872 R.v., zooals die luidden vóór de inwerkingtreding van de Wet van 1 Augustus 1936 S. 204, uitgingen van de veronderstelling, dat verplichte vertegenwoordiging bij de procedures van vrijwillige rechtspraak noodig is, ook na de wijziging, die in deze artikelen bij de herziening van 1896 was aangebracht. A-t. 873 (oudl R.v. bepaalde n.1.:

„Zoo noodig wordt aan de behoeftigen, indien zij niet van „eenen procureur voorzien zijn, door den president een procureur aangewezen en toegevoegd", en sloeg blijkbaar terug op

is) Voor de redeneering naar analogie worden meestal gebruikt de artt. 847 en 856 (oud) j° 871. 1° (oud) R.v. en voor de redeneering a contrario de artt. 5 F.w., 20 Kieswet, 9 en 10 Merkenwet. ") T. in 10) a.p.

Sluiten