Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hier zegt men, dat dit artikel er van uitgaat, dat verplichte vertegenwoordiging bij de procedures van vrijwillige rechtspraak noodig is. Daar niemand dit argument nader uitwerkt, weet ik niet precies waarom. Het kan zijn, dat men naar analogie van dit artikel wil redeneeren; in dat geval verwijs ik naar hetgeen ik hierboven bij het tweede argument heb gezegd. Waarschijnlijker echter hjkt het mij, dat men zich wenscht te beroepen op het feit, dat in het tweede lid van dit artikel bij het woord procureur het bepalend lidwoord wordt gebruikt. Ik wil dit argument bestrijden met een beroep op de geschiedenis van dit artikel: Bij het eerste ontwerp luidde de aanhef van het tweede lid van dit artikel: „Het verzoekschrift zal geteekend

„worden door de partij of haren enz Bij de Wet van 31

Maart 1828 is dit zonder eenige aanmerking aldus aangenomen, maar bij het eerste ontwerp tot herziening van dezelve werd voorgesteld, om het tweede lid aldus te doen aanvangen: „Het „verzoekschrift zal mede geteekend woi den door den verzoeker

„of zijnen enz ". Bij de beraadslagingen hierover heeft de

tweede afdeeling gevraagd: „Wat hier het woord mede beduidt, „daar er nog van geen teekening is gesproken". Ten gevolge van deze aanmerking is bij de nieuwe redactie voorgesteld, om inplaats van het woord mede te stellen: behalve door den procureur ook, welke veranderingen vervolgens zijn aangenomen bij de Wet van 10 Mei 1837 18). Het lijkt mij op grond van deze geschiedenis volkomen ongemotiveerd, om aan het gebruik van het bepalend lidwoord in dezen, een zoo verstrekkende gevolgtiekking te verbinden.

Argumenten voor de tweede theorie.

Het argument, dat in het hoofdartikel van W. 7264 tegen de toepasselijkheid van het beginsel der verplichte vertegenwoordiging bij de procedures van vrijwillige rechtspraak wordt aangevoerd, heb ik hierboven, bij de behandeling van het eerste argument voor de eerste theorie, reeds besproken en bestreden, zoodat ik meen hier te kunnen volstaan met daarnaar te verwijzen.

") Aldus: van den Honert, Handboek Burg. R.v., bldz. 755, ad art. 847 R.v.

Sluiten