Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2

Openbaarheid

Het beginsel der openbaarheid bij de burgerlijke rechtspraak.

Art. 162 der Grondwet en art. 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie schrijven voor, dat het rechtsgeding in burgerlijke zaken op de terechtzittingen in het openbaar zal worden gehouden en dat het burgerlijke vonnis in het openbaar zal worden uitgesproken. Men heeft deze bepalingen in de wet opgenomen, om, zij het op een passieve wijze, ruchtbaarheid te geven aan de behandeling en aan de rechterlijke beslissing, en zoodoende een waarborg te scheppen voor een serieuse en onpartijdige rechtspraak 1). Het volk — zoo dacht men — zou de zittingen komen bijwonen, naar het verhandelde luisteren en van de uitspraken kennis nemen, terwijl het tevens de noodige critiek op de wijze van behandeling of op de beslissing zelve zou kunnen uitoefenen.

De werkelijkheid van thans is met deze onderstelling in lijnrechte tegenspraak. Van publiek is op de burgerlijke zittingen bijna nooit iets te bespeuren. Een enkelen keer verschijnt er eens een candidaat in de rechten, of een jong advocaat, om er wat practische ervaring op te doen, en verder ziet men er bij hooge uitzondering, in geruchtmakende civiele processen, eens een journalist of een paar oudere advocaten en dan nog alleen maar bij de pleidooien; dat is al. Geen wonder ook; want schakelt men het pleidooi uit, dan kan de begeerte

') Vgl.: Faure, Procesrecht I, 3e druk, bldz. 107, die o.m. spreekt van een waarborg tegen partijdige behandeling en willekeur; en Star Busmann, Hoofdst. Burg. R.v., deel III, 2e druk, bldz. 314, No. 245, die de contróle der openbaarheid onmisbaar acht voor het algemeene vertrouwen in de rechtspleging.

Sluiten