Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkrijgen, is het noodig, dat men eerst nauwkeurig de door de wet aangegeven verhouding tusschen rechter en partijen nagaat; uit deze verhouding kan men dan opmaken, in hoeverre onze wet dit beginsel huldigt. Een dergelijke wijze van handelen laat echter ruimte voor verschillend inzicht en het is dientengevolge raadzaam om een dergelijk, naar eigen opvattingen geconstrueerd „beginsel" niet tot uitgangspunt van een beschouwing te nemen; de kans op misverstanden zou buitengewoon groot worden. Ik zal dan ook in deze paragraaf niet van een dergelijk „beginsel" uitgaan, maar een stapje terug doen tot de verhouding tusschen rechter en partijen zelve. Ik zal eerst een schematisch overzicht geven van die verhouding bij de contentieuse procedure en vervolgens nagaan, in hoeverre bij de procedures van vrijwillige rechtspraak een dergelijke verhouding tusschen rechter en justitiabelen bestaat.

De verhouding tusschen rechter en partijen bij de contentieuse procedure.

Bij een gewoon contentieus proces doet zich het volgende voor: A meent tegenover B een of ander recht te hebben. B geeft dit niet toe. Teneinde zijn recht tegen B geldend te kunnen maken, dagvaardt A B voor den rechter. Aanvankelijk heeft alleen A belang bij de procedure, immers doet hij afstand van de instantie, dan heeft B noch voor-, noch nadeel bij het gebeurde. Dit verandert echter, zoodra B zijn eerste proceshandeling heeft verricht, reden waarom art. 277 R.v. den afstand van instantie na het antwoord, van de toestemming der wederpartij afhankelijk maakt. Na het antwoord immers heeft ook B belang bij het verloop der procedure gekregen, en wel tenminste tot het bedrag der door hem gemaakte proceskosten. Verdere belanghebbenden bij verloop en uitslag der procedure zijn er in dezen eenvoudigen vorm niet.

De wet erkent hier het recht om eigen belangen zelf te behartigen en laat dientengevolge het initiatief tot dagvaarding benevens het bepalen van den omvang van het petitum aan A over. Tot het antwoord beschikt, zooals gezegd, A zelfs over het voortbestaan der procedure. Na het antwoord is de omvang van het geschil aan AenB samen overgelaten; zij zijn vrij elkaar op

Sluiten