Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meijers 27) en blijkens het bovenstaande ook door mij, zij het — zooals ik hierboven nader uiteenzette — op eenigszins verschillende gronden 28).

Ik heb hier in het kort opgesomd, wat er met betrekking tot het in deze paragraaf besproken onderwerp in de literatuur te vinden is. Zooals men kan zien, wordt daarbij niet veel meer behandeld dan uitsluitend hoofdlijnen. Omtrent de details kan de jurisprudentie echter nog eenig licht verspreiden.

J urisprudentie.

I. Aan het begin van mijn „Conclusies" heb ik gezegd, dat het initiatief tot procedeeren bij de procedures van vrijwillige rechtspraak in het algemeen niet bij den rechter berust. Dit lijkt zoo zonder meer een onbetwistbaar feit en inderdaad in dezen eenvoudigen vorm is er aangaande deze „stelling" geen jurisprudentie te vinden. Onder het initiatief tot procedeeren moet echter niet alleen verstaan worden het aanleggen der procedure in eerste instantie, maar ook het aanleggen der procedure in hooger beroep. Wanneer derhalve in eersten aanleg de beslissing is gevallen en niemand komt daarvan in hooger beroep, dan kan de hoogere rechter deze beslissing niet ambtshalve aantasten. Hierover is wel jurisprudentie, en wel het arrest van den Hoogen Raad van 8 Mei 1919 29). Het geval was als volgt:

Aan den Kantonrechter werd op zekeren dag verzocht den openbaren verkoop te gelasten van een deel der roerende goederen, behoorende tot een nalatenschap, waartoe de verzoekers medegerechtigd waren, met aanwijzing van een dag voor dien verkoop (art. 686 R.v.); op dit verzoek werd op 7 Januari 1919 beschikt. Daarop werd met betrekking tot een ander deel der voormelde goederen een soortgelijk verzoek gedaan; hierop werd beschikt op 20 Januari 1919. Tegen de eerste beschikking werd vervolgens hooger beroep ingesteld, teneinde een anderen dag voor den daarin gelasten verkoop bepaald te krijgen, doch tegen de beschik-

2') T. in 21) a.p.; zie bovendien zijn noot in W. 9250 onder het merkenarrest H.R. 25 Juli 1911 en die onder H.R. 19 December 1932 N.J. 1933 bldz. 955.

2S) Zie hieronder bij „Jurisprudentie", sub VI.

»•) N.J. 1919 bldz. 865.

Sluiten