Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„bewijsrecht, als ten deze alle bindende kracht missende, bij „de bestreden beschikking niet kunnen zijn geschonden, noch „verkeerd toegepast".

De Hooge Raad heeft hierna nog bij herhaling beslist, dat de artikelen betreffende de regeling van het bewijs uit het Vierde Boek van het B.W. bij beschikkingen op verzoekschriften geen toepassing vinden 40).

VI. Tenslotte nog een enkel woord over de procedures van de Merkenwet. Langen tijd heeft men in het onzekere verkeerd, of op deze procedures de bepalingen omtrent het bewijs van het B.W. al of niet toepasselijk waren. Du Mosch en Zuidema zeiden van wel, Meijers van niet, terwijl ik mij bij de opvatting van Meijers heb aangesloten41). Op 25 Juli 1911 heeft de Hooge Raad een arrest gewezen 42), dat volgens Meijers uitgaat van de onderstelling, dat de rechter bij de procedures van de Merkenwet lijdelijk zou zijn. Ik geloof niet, dat aan dit arrest de beteekenis moet worden gehecht, die Meijers er aan toekent, en zou dit zeker nader toelichten, ware het niet, dat dit overbodig is geworden, daar de Hooge Raad bij arrest van 18 December 1930 43) deze quaestie principieel heeft uitgemaakt. De Hooge Raad overweegt daar n.1. in overeenstemming met de conclusie van den P.G.:

„dat de Merkenwet, die als bijzondere wet onderwerpelijk uitfluitend in aanmerking komt, den rechter in de keuze zijner „bewijsmiddelen en in de wijze, waarop hij die meent te moeten

„verkrijgen, geheel vrijlaat, In een noot onder dit arrest

wijst Scholten er op, dat de Hooge Raad hier uitdrukkelijk het stelsel van Du Mosch verwerpt.

"•) Zie zijn arresten van: 15 Juni 1931 N.J. 1931 bldz. 1242 met noot 19 December 1932 N.J. 1933 bldz. 955 met noot E.M.M. en 12 Februari 1934 N.J. 1934 bldz. 1157.

*') Zie hierboven onder „Literatuur" aan het einde van de tweede alinea.

") Te vinden in W. 9250.

4S) N.J. 1931 bldz. 661 metnootP.S.

Sluiten