Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

processtuk in zulk een procedure en in zooverre te vergelijken met de dagvaarding in contentieuse gedingen. Voor het overige echter hebben dagvaarding en verzoekschrift bijna niets gemeen: het verzoekschrift draagt een geheel eigen karakter. Dit karakter wordt in hoofdzaak bepaald door het eerste, principieele vereischte, waaraan ieder verzoekschrift moet voldoen, n.1. dat het op de wet moet zijn gegrond. Het lijkt mij daarom juist toe, voor alles dit vereischte te bespreken.

Het verzoekschrift moet op de wet gegrond z ij n.

De eisch, dat ieder verzoekschrift op de wet moet zijn gegrond, vloeit voort uit het algemeene beginsel, dat de competentie tot rechtspraak enkel en alleen berust op wettelijke opdracht. Met betrekking tot de contentieuse rechtspraak is een dergelijke opdracht in het algemeen gegeven in art. 154 van de Grondwet. Ten aanzien van de vrijwillige rechtspraak ontbreekt zulk een algemeene opdracht echter; de wet pleegt de verschillende soorten dezer rechtspraak ieder afzonderlijk aan den rechter op te dragen. Bij verzoekschriften nu, die niet op de wet zijn gegrond, ontbreekt zoo'n bijzondere opdracht, zoodat de rechter zich, op grond van het bovengemelde algemeene beginsel, onbevoegd moet verklaren om van dergelijke verzoeken kennis te nemen.

Het beginsel, dat de competentie tot rechtspraak alleen berust op wettelijke opdracht, wordt door bijna alle schrijvers aanvaard3). Sybenga 4) wijst hierbij zeer terecht op het feit, dat

een eisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed (art. 816 R.v.) bijv. niet ter griffie worden ingediend, doch terstond aan den president der Rechtbank worden overhandigd.

Al deze verschillen zijn echter niet van principieelen invloed op het verloop der procedure en kunnen dus verder buiten beschouwing blijven.

') Zie: J. de Bosch Kemper, Handl. Ned. Staatsrecht 1865, bldz. 353 en 793; T. Sybenga, de Grondwet van 1887, 6e druk, bldz. 319—320; Faure, Procesrecht I, 3e druk, bldz. 94; Zuidema, Rechtspraak op verzoekschriften, Prft. Utrecht 1917, bldz. 69—-70; Leon—van Praag R.O. I, bldz. 7—9, supplement 1930 bldz. 9 en 10.

Anders alleen G. J. van Brakel („Beëediging van meters, wegers en

Sluiten